Kennisveld Archeologie


Archeologie

In de archeologie gaat het om de materiële overblijfselen van vroegere menselijke activiteiten en het verhaal daarachter. Soms zijn die overblijfselen met het blote oog te zien, zoals grafheuvels en hunebedden. Meestal liggen ze echter in de grond verborgen. Denk aan de fundamenten van een Romeinse villa en afval uit een Middeleeuwse beerput. We noemen die resten het "bodemarchief"™, de bron van kennis over de geschiedenis van het landschap en menselijke activiteiten in het verleden. Voor verreweg het grootste deel van onze geschiedenis zijn die relicten de enige informatiebron. Daarom moeten we er zorgvuldig mee omgaan, want op = op. In principe liggen archeologische resten het beste bewaard onder het maaiveld, in hun oorspronkelijke context. Opgraven is een noodoplossing, want eenmaal opgegraven is de vindplaats vernietigd.

Behoud in de bodem

De zorg voor ons erfgoed is erop gericht zoveel mogelijk in de bodem te bewaren voor het nageslacht: behoud "śin situ"™. Wie iets met de bodem wil, een "verstoorder"™, is verplicht de schade aan het erfgoed zoveel mogelijk te beperken. Dit streven naar behoud komt voort uit het Verdrag van Malta dat met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in 2007 in onze wetgeving geďmplementeerd is. Het is tevens een kernpunt van de herziene Monumentenwet 1988. Gemeenten hebben een grote verantwoordelijkheid voor hun erfgoed en hun belangrijkste taak is het verankeren van archeologische waarden in bestemmingsplannen. Hoe eerder archeologie in ruimtelijke plannen betrokken wordt, hoe kleiner de kans op onnodig hoge kosten en vertraging tijdens de bouw. En des te groter de mogelijkheid tot behoud dor planaanpassing of inpassing.


Archeologisch onderzoekstraject

Wie bouwplannen ontwikkelt, kan door de overheid worden verplicht een archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Dat moet uitwijzen of er mogelijk belangrijke relicten in het plangebied liggen, zodat een goed besluit over de omgang met het erfgoed te maken is. Het archeologisch onderzoekstraject verloopt in fasen: van algemeen en extensief naar precies en intensief. De eerste stap is een vooronderzoek, bestaande uit bureauonderzoek en veldinspectie (oppervlaktekartering, booronderzoek, proefsleuven of geofysisch onderzoek). Als dat uitwijst dat er geen archeologische vindplaats is, wordt het terrein vrijgegeven en kunnen de bouwwerkzaamheden gewoon beginnen. Maar als het een waardevolle vindplaats betreft, komt deze voor selectie in aanmerking. De bevoegde overheid beslist dan of de vergunningaanvrager de vindplaats moet ontzien (beschermen) of laten opgraven. >> Schema archeologisch onderzoekstraject

RAAP is al jaren thuis in alle soorten archeologisch onderzoek, van vooronderzoek en beleid tot en met opgravingen. Kijk onder Diensten en producten >>