https://mobirise.com/

Erfgoed & Water

In Nederland hebben we een lange traditie in de omgang met water. Al eeuwen geleden profiteerden onze voorouders van het water en streden ze ertegen. Langs rivieren, waar drinkwater en vis voorhanden was, bouwden ze nederzettingen. Waar land overstroomde wierpen ze terpen op. Met molens pompten ze meren droog, en dankzij dijken, kanalen, sluizen en gemalen konden ze in nieuwe polders wonen en werken. En soms zetten ze land met opzet onder water om vijanden tegen te houden. Al die activiteiten in het verleden lieten sporen na in het landschap. Met archeologisch onderzoek komen die oude sporen en vondsten en de verhalen erachter weer ‘boven water’. Een goede reden om daar in 2018, het Europees jaar van het culturele erfgoed én Jaar van het Water, aandacht aan te besteden in de web-serie ‘Erfgoed & water’.

INHOUD

Kasteelgracht Haelensebeek

Archeologische begeleiding in beekdal. 

Wonen en waterhuishouding Ambachtsezoom

12e tot 14e eeuwse bewoning

8 x dwars door de Haarrijndijk

8 sleuven haaks op de dijk  

Twee oude duikersluizen langs de Lek

Zelfs Napoleon komt langs

5

verschijnt in binnenkort

Twee oude duikersluizen langs de Lek

In de uiterwaarden van de Lek ten noorden van Vianen werden tijdens archeologisch onderzoek niet geheel onverwachts twee historische duikersluizen gevonden. Maar tot verrassing bleken de houten funderingen ervan goed geconserveerd en zodoende kon veel informatie over hun bouwwijze verzameld worden. De duikersluizen hadden te maken met een veerweg en indirecte met een bezoek van Napoleon aan deze streken.

De archeologische onderzoeken die tussen 2007 en 2015 in Vianen vanwege het project Ruimte voor de Lek plaatsvonden, hadden tot doel de archeologische waarden in kaart te brengen. RAAP voerde op diverse locaties bureau- en booronderzoek, gevolgd door proefsleuven, opgraving en begeleiding. Onder meer op locatie Pontwaard waar twee duikersluizen werden gevonden. Bouwhistorisch onderzoek werd uitgevoerd door MAB

Duikersluis onder de (oude) veerweg
De duikersluis onder de oude veerweg had mogelijk te maken met een conflict tussen de Staten van Utrecht en het Hoogheemraadschap de Vijfheerenlanden, dat we uit historische bronnen kennen. Door het ophogen van de dijken langs de Lek en de veerweg door het hoogheemraadschap, vormde de veerweg volgens de Staten namelijk een obstakel dat bij hoogwater de snelle afvoer van water belette. 


Het lijkt daarom logisch dat deze duikersluis aangelegd is vanwege dit conflict. De duikersluis was een constructie die onder de weg lag en twee wateren met elkaar verbond; in dit geval de haven van Vianen met een sloot in de uiterwaard. Door een deur of schuif open te zetten kon het water binnenstromen.

De fundering van de sluis onder de veerweg bestond uit een raamwerk van houten balken, met daarop vier lagen balken en planken. Hierop rustte een vloer, muren en een gewelf van bakstenen. De duikersluis was 11 meter lang en 1,5 tot 2 meter breed. De houten draaideur van deze sluis ging door de waterdruk open en dicht. Het hout (van zilverspar) was goed bewaard gebleven en kon gedateerd worden via dendrochronologie (Dateringstechniek gebaseerd op jaarringpatronen van hout). Sommige planken van de sluisvloer bleken te dateren tussen 1835-1875. Aangezien op 18e-eeuwse kaarten al een sluis aangegeven staat, zullen de opgegraven sluisresten een oudere sluis vervangen hebben.

Duikersluis onder Route Impériale 2

De tweede sluis houdt verband met een bezoek dat Napoleon in de herfst van 1811 aan deze regio bracht. Er waren toen hoofdzakelijk zand- of grindwegen die bij regenval vrijwel onbegaanbaar waren. Ook tijdens het bezoek van de Franse keizer was dit het geval en was hij zelfs genoodzaakt de route te verleggen. Waarschijnlijk mede daarom vaardigde hij een decreet uit waarin een aantal voorname routes tot ‘Route Impériale’ werd opgewaardeerd. De route Parijs-Antwerpen-Amsterdam was als RI-2 in het wegensysteem opgenomen. De weg door Vianen naar de Lek en verder naar Utrecht maakte deel uit van deze keizerlijke weg. Een van de voorwaarden bij de opwaardering was dat de RI’s klinkerbestrating moesten krijgen. 


Bij de aanleg ervan is rond 1810 ook een sluis gebouwd. Dit blijkt uit historische kaarten, het bouwbestek van de oude weg en uit archeologisch onderzoek van RAAP. Ook deze duikersluis diende ervoor te zorgen dat water uit het achterland via een sloot naar de havengeul werd afgevoerd. Het bouwbestek vermeld ook dat ten noorden van Vianen de weg rechtgetrokken diende te worden, waarbij een deel van de haven moet worden gedempt. Het was een populaire route want rond 1813-1814 moest de Veerweg bij Vianen door het vele verkeer al hersteld worden. De huidige weg Buitenstad in Vianen is dus is een deel van de Napoleontische Route Impériale.  

Deze tweede duikersluis was 13 meter lang en2 meter breed en had een fundering van houten balken op trekpalen. Hierop stonden beide sluismuren met een overwelving van bakstenen. Met de hefdeur, bediend via een heugelstang, was de waterstand te regelen. De hefboomconstructie, tandwielkast en beslag op de schuifdeur was gaaf bewaard gebleven. Het gebruikte hout (voornamelijk zilverspar) bleek gekapt bij een leeftijd van 60-70 jaar. Naaldhout is goed geschikt voor lange planken, aangezien de takken hoog uit de boom ontspruiten en het hout dus weinig knoesten heeft.

Buiten gebruik

Met de aanleg van het Merwedekanaal vanaf 1883, verloren beide duikersluizen hun functie. De haven van Vianen raakte buiten gebruik, slibde dicht en werd later gedempt. Uiteindelijk zijn de sluizen tijdens de aanleg van de Napoleonsbrug en nevengeul in 2014 en 2015 afgebroken. 

Ter herinnering aan beide historische sluizen is in 2017 een informatiebord neergezet langs de Lek, ter hoogte van pannenkoekenboerderij Ponthoeve.


RAAP-Projectleider: Rogier de Groot

8 x dwars door de Haarrijndijk


Dijken zijn er om water tegen te houden. Juist om ook in de toekomst droge voeten te houden, ging de schop in de dijk langs de Utrechtse Haarrijn. Acht sleuven werden haaks op de dijk aangelegd vanwege de herinrichting van deze watergang. Het waterpeil ging omlaag en zo konden archeologen de dwarsdoorsnedes van de dijk onderzoeken. Ze brachten de ophogingslagen in kaart en stuitten daarbij onder andere op een toepasselijke toevalsvondst. 

Tot voor kort stond de Haarrijn bij Maarssenbroek in open verbinding met het Amsterdam-Rijnkanaal. Dat was geen ideale situatie. Het waterpeil in het kanaal stond ruim een meter hoger dan in de Haarrijn, de dijk was in 2003 bij Wilnis verschoven en het gemaal had destijds onvoldoende maalkracht. Als de dijk het zou begeven, zou het water van het kanaal de wijk Maarssenbroek instromen. Een nieuw gemaal aan de monding van de Haarrijn was de oplossing. Dat sloot de dijk van het Amsterdam-Rijnkanaal, waardoor het waterpeil in de Haarrijn flink kon worden verlaagd. Tegelijkertijd kon de Leidsche Rijn beter bemaald worden, wat verhoging van de dijk bij Maarssenbroek overbodig maakte.

Namens Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden voerde Roelofs Advies en Ontwerp het project in de afgelopen jaren uit. Daarvoor werden ook de oude kades langs de Haarrijn afgegraven en de oevers natuurvriendelijk ingericht. Dat was een mooie gelegenheid voor archeologisch onderzoek. Het vermoeden bestond namelijk dat de kade of dijk langs de Haarrijn misschien van oorsprong laatmiddeleeuws zou zijn. Het gebied werd al vanaf de 10e eeuw ontgonnen en volgens historische bronnen was de Haarrijn zelf in de 13e eeuw aangelegd. Het was een belangrijke watergang die afwaterde op de Vecht.

Bruin op grijs

In 2013 begeleidden archeologen van RAAP de graafwerkzaamheden. In acht putten onderzochten ze doorsneden door de afgegraven kade of dijk om de opbouw en fasering ervan in kaart te brengen. In alle acht dwarsdoorsneden troffen ze een min of meer vergelijkbare opbouw aan. Globaal waren er vier ophogingspakketten van klei te herkennen, soms met laagjes kachelslik of puin erin ter versteviging. Op de foto zijn de vier pakketten te zien: een donkergrijs walletje (het eerste opgeworpen dijkje), een lichtgrijze en donkerbruine uitbreiding richting de landzijde, en tot slot een bruin pakket klei dat over de eerdere fasen heen is aangebracht.

De onderzijde van de dijk kon tijdens het onderzoek helaas niet bereikt worden. Vanwege waterdruk van de Haarrijn en opkomend grondwater was het namelijk niet veilig om dieper te graven dan tot ongeveer twee meter onder de top van de dijk. Om toch een idee te krijgen van de natuurlijke bodem waarop de dijk ooit is aangelegd, zetten de archeologen enkele boringen vanaf het opgravingsvlak. Daaruit bleek dat de dijk op een natuurlijke ondergrond van komafzettingen ligt, bestaande uit klei en veen.

Afval ter ophoging


In de ophogingspakketten zaten scherven van aardewerk en glas, evenals resten bouwmateriaal, metaal, natuursteen, bot en sintel. Veel daarvan was afval. Gebroken gebruiksvoorwerpen zoals kookpotten en kannen gooiden mensen vroeger weg bij hun huis of op de akkers. Die grond werd later gebruikt om de dijk op te hogen. Zo kwam het afval dus uiteindelijk in de dijk terecht. De vondsten dateren van de late middeleeuwen (1250-1500 na Chr.) t/m de 20e eeuw. Het aantreffen van vondsten uit de middeleeuwen lijkt een aanwijzing voor de vermoede begindatering van de dijk in de 13e eeuw. Maar zoals gezegd gaat het om afval in van elders aangevoerde grond. De dijk kan dus ook pas later zijn aangelegd. 

Raadsel


In vrijwel alle putten zijn in alle lagen van de dijk scherven en bakstenen uit de 19e en 20e eeuw aangetroffen, ook in de onderste pakketten. Vooral dat laatste is vreemd en lastig te verklaren. Mogelijk is dit materiaal deels vanuit de oever in de dijk gedrukt, of zijn oudere fasen van de dijk door de eeuwen heen weggezakt in de onderliggende komafzettingen en is de dijk recentelijk aangevuld. Of misschien is de dijk in de 20e eeuw op de schop gegaan, bijvoorbeeld bij de aanleg van het nabijgelegen Amsterdam-Rijnkanaal in de jaren 30-40. Daarover is in archieven van het waterschap echter niets gevonden. Ook lijkt de laagopbouw in duidelijk afzonderlijke pakketten klei wel degelijk onverstoord te zijn. Wellicht komen we er bij toekomstig onderzoek achter hoe dit zit.

Toeval

Heel bijzonder was de vondst van een deels vergaan eikenhouten bootje uit het eind van de 19e of de 20e eeuw. Het kwam tevoorschijn in de allereerste sleuf en was een echte toevalstreffer: de dijk langs de Haarrijn is wel twee kilometer lang, de gegraven sleuf slechts 2 meter breed, en het bootje zat daar precies in! Het type is een smalle schouw voor vervoer door de veensloten, bijvoorbeeld om mest of melk te vervoeren.

Resten van het bootje

Filmpjes en meer

Sinds 2015 draait het nieuwe gemaal aan de Haarrijn. Het zorgt niet alleen voor een goed waterpeil in Leidsche Rijn maar ook voor meer veiligheid in Maarssenbroek, en door de natuurvriendelijke oevers ook voor een betere waterkwaliteit in de Haarijn. Van het archeologisch veldwerk heeft het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden een film gemaakt: Film Hoogheemraadschap

Zie ook: Film Hoogheemraadschap 2

en voor meer info: Projectenkaart Stichtse Vecht

Projectleider RAAP: Helle Molthof


Randscherf van een bord van blauw Engels aardewerk (1720-1760) beschilderd met een man of vrouw (zeemeermin?) bij een brug over een rivier. 

Een kasteelgracht
in de slingerende Haelensebeek


De Haelensebeek die door de Noord Limburgse gemeente Leudal stroomt, heeft de afgelopen jaren een flinke verandering ondergaan. Van de gekanaliseerde beek, die grofweg van Grathem naar Neer stroomt, is weer een slingerende beek gemaakt. Zo is een natuurlijker landschap ontstaan. De graafwerkzaamheden in het beekdal zijn op verschillende plaatsen archeologisch begeleid. Daarbij kwam onder meer een middeleeuwse kasteelgracht weer ‘even’ boven water.

De Haelensebeek is in de 20e eeuw rechtgetrokken, zodat deze meer water kon afvoeren. In de afgelopen jaren heeft het Waterschap Limburg (voorheen Waterschap Peel en Maasvallei) gewerkt aan het ecologisch herstel van de beek. Deze is weer gaan meanderen en dieren en planten hebben meer ruimte gekregen om er goed te gedijen. Zo kunnen vissen via vistrappen vrij door de beek zwemmen. Voor de herinrichting is veel graafwerk verricht en archeologen van RAAP hebben dit in 2016 en 2017 op enkele plekken archeologisch begeleid. Bij het uitgraven van de nieuwe meanders zijn - als het mogelijk was - de historische meanders van omstreeks 1850 benut. 

Profiel van de kasteelgracht in het schuin talud.

De kasteelgracht van Waerenberg

In het beekdal tussen Overhaelen en de Heythuyserweg kwamen resten van het kasteeldomein Waerenberg aan het licht. Het ging om een brede kasteelgracht, uitbraaksporen van muren van vermoedelijk een bakhuisje en een onverharde weg. Het verdwenen kasteel van Waerenberg werd in de middeleeuwen waarschijnlijk in de bedding van de Haelensebeek gebouwd. Voor de vroegste geschiedenis ervan bestaan nagenoeg geen bronnen. Als eerste eigenaar wordt Jacob van Ghoor de Warremberg genoemd, die in 1288 geridderd werd. Het minuutplan uit begin 19e eeuw toont het meest gedetailleerd de situatie van kasteel Waerenberg, net voordat het gesloopt werd. Op die kaart is het kasteel omgeven door een zeer brede gracht. Ten zuiden ervan ligt het voorhof (de oorspronkelijke kasteelboerderij die er nu nog staat), omsloten door de Haelensebeek.

Minuutplan uit begin 19e eeuw met het kasteelterrein.

Het water van het beekdal speelde een belangrijke rol op het kasteelterrein. In het begin werd gebruik gemaakt van de natuurlijke loop van de Haelensebeek. Later werd de beek kunstmatig omgevormd tot de kasteelgracht die we van de historische kaarten kennen. Hoewel zo’n gracht in eerste instantie een defensieve functie had, werd in de loop van de late middeleeuwen het representatieve aspect belangrijker.


Uit welke onderdelen bestond het kasteelterrein? Dat weten we dankzij een gedetailleerde beschrijving, vanwege een erfverdeling tussen de zussen van Pollart in 1639. Daarin staat dat het hart van het kasteelterrein het ‘grootste ende principaelste huys met alle sijn toebehoer in bauwsel en appendenten’ is. 

Ten zuiden ligt ‘den Neerhoff met allen sijn toebehoer’ (waaronder een brouwerij en bakoven). Rondom lagen de ‘gaert’ (tuin), ‘hoppegartgen’ (kweken van hop), ‘boemgaertken’ (boomgaard) en diverse pachthoeven. Al deze ‘toebehoer’ wijzen op verschillende activiteiten op het kasteelterrein, dat in feite grotendeels zelfvoorzienend was. Het beekdal was ook belangrijk voor ‘jacht en vischerije’ en levering van grondstoffen (hakhout). Of deze beschrijving representatief is voor de oudere fasen, is de vraag. De resten van het kasteelterrein zijn alleen in het vlak gedocumenteerd en niet opgegraven. Het onderzoek beperkte zich tot een klein deel van het kasteelterrein, dat verstoord werd bij de hermeandering van de beek. Daar is de kasteelgracht opgegraven. Oudere grachtvullingen zijn nog in de bodem van de nieuwe meander bewaard gebleven en uiteraard ook buiten de ontgraving. 

De kasteelgracht in het opgravingsvlak.

Resten van een houten brug.

Profiel kasteelgracht met fasering

Sporenoverzicht kasteel Warenberg

Bakhuisje


Iets verder ten westen van het kasteelterrein is een houten brug (vonder) ontdekt, die volgens dendrochronologische datering dateert in het midden van de 17 eeuw. Ook resten van een onverharde zandweg zijn gevonden met karrensporen erin. De weg houdt verband met het kasteel en staat recht op de beek. Verder vonden de archeologen muurresten die gezien hun vorm te interpreteren zijn als een bakhuisje (dat ook in de beschrijving uit 1639 voorkomt). De halfronde bakstenen constructie is de oven en in het gebouwtje zat de opening van de oven. Hier werd het bakken voorbereid. Zulke bakhuisjes kwamen vaak voor op het erf van een landgoed of boerderij, maar wel op enige afstand van het hoofdgebouw vanwege brandgevaar.


Watermolen

Achter de Grote Kampweg in Haelen kwam in de beek een houten constructie tevoorschijn: twee rijen van grote aangepunte, eikenhouten palen, geheid in de grond. Dat het niet om een brug gaat, blijkt uit de ligging in een brede zone van het beekdal, wat niet de meest geschikte plek is om een brug te bouwen, én uit historische aanwijzingen. Die wijzen namelijk op een verband met de verdwenen molen van Overhaelen.  


Het is bekend dat de voorloper van de huidige Vogelmolen (die nu nog bestaat en in gebruik is als restaurant) bij kasteel Aldenghoor, vroeger meer stroomopwaarts lag in de buurtschap Overhaelen bij de Vogelshof (Speikers Hof). Daaraan zou het ook zijn naam hebben ontleend. Op oude kaarten is van de oorspronkelijke ligging van de molen echter niks te zien. De oudste melding van het goed Vogelhof dateert uit 1381, als Johan Vogels van Willem, heer van Horn, een vergunning ontvangt om zijn land te verbeteren. De molen wordt voor het eerst vermeld in 1394. Dan geeft Willem VIII, heer van Horn, zijn beekmolen te Overhaelen in erfpacht uit aan Hendrik, de molenaar, voor ‘14 malder rogge ’s jaars’. Omstreeks 1599 verplaatst Zweder Van Den Boetzelaer, heer van Aldenghoor, de watermolen van Overhaelen naar Haelen.


Hoewel het molengebouwtje zelf niet is aangetroffen, is uit de vondsten in de bedding wel een en ander af te leiden. Het moet een houten constructie zijn geweest, waarschijnlijk gefundeerd op los gestapelde veldbrandstenen met een pannendak. Er zijn fragmenten molensteen gevonden, zoals een deel van een ligger (de onderste molensteen) in tefriet, een grofkorrelige steensoort uit de Eifel. Op de steen zitten maalgroeven waarin het meel verzameld werd. De molen werd dus gebruikt om graan te malen. Verder is er rood- en witbakkend geglazuurd aardewerk en steengoed uit de 16e-17e eeuw gevonden en twee ijzeren nagels, een fragmentje bronsblik en een hoefijzer. Een dendrochronologische datering van een van de houten palen in 1561 past goed in dit beeld.

Voorbeeld van een bakhuisje (Openluchtmuseum Bokrijk).

Restant van een bakoven (halve cirkel bakstenen).

De (nieuwe) Vogelmolen (www.molendatabase.org)

Fragmenten van molensteen

Opnieuw onder water 

Zo heeft het archeologisch onderzoek zowel de oude meander als verschillende met de beek verbonden constructies aan het licht gebracht. Het aangesneden stuk van de kasteelgracht staat nu weer opnieuw onder water, zoals het filmpje laat zien.

Wonen en waterhuishouding in de middeleeuwen aan de Ambachtsezoom  


Archeologisch onderzoek brengt 12e tot begin 14e eeuwse bewoningssporen aan het licht.

Aan de Ambachtsezoom laat de waterrijke gemeente Hendrik-Ido-Ambacht een nieuw bedrijventerrein aanleggen van zo’n 20 hectare. Tot de voorbereidende werkzaamheden behoort ook een archeologisch onderzoek. Van oktober tot december 2017 voerden archeologen daarom een opgraving uit aan de zuidkant van Hendrik-Ido-Ambacht. Het bedrijventerrein komt te liggen op een plek die deels al van de 12e tot begin 14e eeuw bewoond was. Daarna werd het er te nat. Tijdens de opgraving van bijna één hectare werd onder meer een middeleeuwse nederzetting op en aan een dijk gevonden.

Van rug tot dijk

Rond het jaar 1000 was de invloed van de zee in Nederland relatief gering, maar rivieren overstroomden regelmatig. In Zuid-Holland zijn de westelijke veengebieden, die voordien nauwelijks bewoond werden, vanaf die tijd ontgonnen. De nieuwe bewoners kozen ervoor hun huizen op de iets hoger gelegen plekken in het landschap te bouwen, op rivieroevers en kreekruggen. Zo ook aan de Ambachtsezoom. Daar zijn tijdens de opgraving langs de A16 door RAAP middeleeuwse bewoningsresten aangetroffen op een duidelijk hoger gelegen rug, bestaande uit klei-afzettingen op veen.


Hoe die rug op deze plaats is gevormd, is een onderzoeksvraag. Het lijkt erop dat de basis ervan een natuurlijke inversierug is: een verhoging die is ontstaan doordat een geul dichtslibde met klei, in combinatie met het inklinken van het omliggende veen. Vervolgens is deze rug vermoedelijk uitgebreid tot een dijk. Op enkele bredere stukken zijn huizen en bijgebouwen neergezet. Het dijklichaam komt duidelijk in beeld door de hoogtemetingen van de opgravingsvlakken, en is vrij recht en oost-west georiënteerd (Zie hoogtekaart). In het begin van de 14e eeuw overstroomde het gebied en trokken de bewoners weer weg.

Hoogtekaart met daarop duidelijk zichtbaar de hogere rug en de middeleeuwse greppels (blauw).

Wonen in een natte omgeving

Hoe de huizen van deze middeleeuwse bewoners eruit zagen, is lastig te zeggen. Er is relatief weinig bekend over huizenbouw uit deze periode in het westen van Nederland. De opgraving heeft helaas geen duidelijke huisplattegronden opgeleverd. Mogelijk waren de middeleeuwse huizen niet gebouwd met ingegraven palen, maar stonden ze deels op poeren: een of meerdere stenen boven de grond ter fundering. Het gebruik van poeren is een voordeel in een natte omgeving, want houten palen kunnen dan niet in de natte ondergrond wegrotten. Tijdens de opgraving zijn ook baksteenfragmenten aangetroffen die verband kunnen houden met poeren.


Aan de flanken van de rug vonden de archeologen diverse kuilen, waarvan de functie soms moeilijk te achterhalen is. Om te onderzoeken waar zo’n kuil voor diende, worden de sporen in een doorsnede bekeken. Sommige kuilen bevatten mest (figuur 2). Dat waren potstallen, mest(voorraad)kuilen voor de landbouw of latrines. Analyse van zaden en vruchten (macrorestenanalyse) in de grondmonsters van de kuilen kan hierin meer duidelijkheid bieden. Een meer dan vijf meter lange kuil is geïnterpreteerd als een soort oven (figuur 3). Voor een haardkuil is hij te groot. In de kuil lagen delen van maalstenen en een flinke hoeveelheid verbrand leem. Mogelijk gaat het hier om een werkplaats, waar potten werden gebakken of bakstenen werden gemaakt. .

Coupe van een mestkuil, mogelijk een latrine.

Doorsnede van de grote kuil, een soort oven

Middeleeuwse waterhuishouding

Langs en dwars op de hoge rug in het veen zijn vooral veel greppels aangetroffen. Deze maakten deel uit van het middeleeuwse verkavelingssysteem. De greppels zijn over het algemeen 40 tot 100 cm diep vanaf het opgravingsvlak en 2 tot 3 meter breed. De greppels zeggen veel over de manier waarop het landschap bij de eerste ontginning werd ingedeeld en hoe met de waterhuishouding rekening werd gehouden. De greppels oversnijden elkaar regelmatig en zijn niet allemaal even diep. Ook de verspreiding van de vondsten in het veld duidt op een fasering in het greppelssysteem. Niet alle greppels bestonden gelijktijdig en het verkavelingssysteem is in de loop van de tijd aangepast.


Van de twee aangetroffen waterputten, lag de ene in het veen (figuur 4) en de andere was ingegraven in de klei op een hoger gelegen deel. Opvallend is dat beide putten op een soortgelijke manier in elkaar zijn gezet, door twee smalle, houten tonnen boven elkaar te plaatsen. De duigen en hoepels van de tonnen zijn ook vergelijkbaar. Of ze gelijktijdig bestonden, kan onderzocht worden met de datering van het hout (via dendrochronologie of koolstofdatering). Bij beide waterputten was de bovenste ton grotendeels weggerot en de onderste ton vrijwel compleet. In de waterput in het veen zijn vogelbotjes gevonden en helemaal onderin een laag aardewerkscherven en een laag houtsnippers.

5000

Scherven

4000

Botten

200

Metalen voorwerpen

Opgegraven aardewerk, vooralsnog gedateerd in de 12e-14e eeuw.

Reconstructie van een van de waterputten.

Project Hiam8, waterput 1 by RAAP_sfab on Sketchfab

Vondsten in vochtige klei

Tijdens het veldwerk is veel aardewerk opgegraven, zo’n 5000 scherven, delen van potten en enkele hele potten. Opmerkelijk is de diversiteit aan aardewerksoorten, vormen en versieringen (figuur 5. Ook zijn circa 4000 botten en botfragmenten gevonden, vooral van koeien, schapen (of geiten), paarden en honden. Bijzonder zijn twee zwijnentanden, twee met gaten bewerkte pijpbeenderen van een rund, een benen kamfragment en snijsporen op botten. Verder zijn met een metaaldetector meer dan 200 metalen voorwerpen gevonden, waaronder een sleutel, een stijgbeugel, lemmeten van messen en een sikkel. De ijzeren voorwerpen zijn vaak zwaar gecorrodeerd door de vele eeuwen in de vochtige klei. Soms wordt pas bij de conservering duidelijk welk voorwerp zich onder de dikke korst roest bevindt. Verder zijn nog drie fragmenten leer gevonden, twee afkomstig uit een waterput en één fragment uit een kuil.


De uitwerking van de opgraving is begin 2018 van start gegaan. De komende maanden wordt het onderzoeksrapport geschreven en kan een reconstructie worden gemaakt van de middeleeuwse geschiedenis van deze dijk-achtige plek in Hendrik-Ido-Ambacht.



Meer weten?

Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht

Bedrijvenpark Ambachtsezoom


Archeologisch onderzoek door RAAP regio West,
projectleider Roosje de Leeuwe