Mobirise Site Builder

RAAP Magazine
#2019-01



THEMANUMMER CULTUURHISTORIE
In dit RAAP magazine staat cultuurhistorie centraal. Cultuurhistorie wordt ‘volwassen’ en is allang niet meer iets vrijblijvends. Er zijn allerlei maatschappelijke opgaven waarbij cultuurhistorie een rol kan spelen, en steeds meer gemeenten en andere organisaties zijn intensief met dit onderwerp bezig. Cultuurhistorie daar moet en kan je wat mee. Redenen genoeg om daar een speciaal themanummer aan te wijden.

INHOUD

De landschapsbiografie 

instrument voor de omgevingsvisie

Cultuurhistorie als inspiratiebron

bij actuele (water)vraagstukken

Landschap onder de stad

interview

Duurzaamheid, klimaat, energie

& de rol van het erfgoedveld

Uit 't veld: Etzenrade

cultuurhistorie als ontwerp-assistent

krinkeldewinkel van de Waaldijk

veilige dijken

Veelgestelde vragen

over cultuurhistorie

Historisch groen

in beeld

Landschap in beweging

dynamiek van een rivier

Militair erfgoed

zien en beleven

De landschapsbiografie: 
een passend instrument voor de omgevingsvisie



Met de invoering van de Omgevingswet in 2021 verandert de omgang met de ruimtelijke ordening in Nederland ingrijpend. Anders dan op dit moment, vraagt de nieuwe wet om een integrale benadering voor de inrichting van onze leefomgeving. Gemeenten bereiden zich daar nu al op voor. Voor hen is de landschapsbiografie een zeer geschikt hulpmiddel om hun beleidsrichting te bepalen.

Luuk Keunen
Senior Projectleider Cultuurhistorie RAAP

De Omgevingswet verplicht het Rijk, de provincies en gemeenten om een Omgevingsvisie te maken. Ze moeten daarin, net als vroeger in de structuurvisie, rekening houden met de verschillende belangen in een gebied. Het wordt straks voor de overheden eenvoudiger om bij plannen voor een gebied alle belangen erin te betrekken en te wegen. De nieuwe wet gaat uit van een samenhangende benadering van diverse belangen. 


Net als veel overheden bereidt ook RAAP zich voor op de komst van de nieuwe wetgeving. Luuk Keunen, senior projectleider cultuurhistorie bij RAAP, ziet de landschapsbiografie als de aangewezen onderzoeksmethode om de leefomgeving als geheel op een hoger abstractieniveau beter te kunnen begrijpen: “Een landschapsbiografie laat zien hoe een gebied zich heeft ontwikkeld. Je onderzoekt de samenhangende en opeenvolgende processen die dat landschap hebben gevormd. Het geeft als het ware een doorkijkje door het verleden en brengt identiteiten beter in beeld.”

De lange lijnen van het landschap

De omgeving waarin we leven is zo geworden door allerlei veranderingen die in de afgelopen duizenden jaren plaatsvonden. Voor een landschapsbiografie bestudeer je die veranderingen vanuit de archeologie, historische geografie, architectuurgeschiedenis en andere disciplines. Dat maakt het een interdisciplinair verhaal. De leefomgeving is ook altijd een complex geheel van elementen, structuren en processen en de combinatie van deze factoren is voor elk gebied uniek. Zo zijn heel verschillende landschappen ontstaan. Een landschapsbiografie vertelt het levensverhaal van een gebied, gekoppeld aan de invloed van bewoners en gebruikers. Als je het verleden van het landschap begrijpt, kan je ook werken aan de toekomst ervan. Daarmee levert de landschapsbiografie nuttige input voor de omgevingsvisie.

Het beschermde dorpsgezicht van Anloo, met kerkbrink, dorpskerk en historische boerderijen (foto: MAB).

Het kleinschalige karakter van Eexterzandvoort is ook nu in hoofdlijnen nog herkenbaar.

Doel van de landschapsbiografie

Met een landschapsbiografie sla je drie vliegen in één klap:

  1. Het onderzoek heeft een wetenschappelijke functie: het vergroot de kennis over de ontwikkeling van een gebied. Daarmee voldoe je aan de plicht om de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de omgevingsvisie op te nemen (art. 3.2, lid a).
  2. Met die kennis is het mogelijk om weloverwogen keuzes te maken over de toekomstige ontwikkeling van een landschap. Door de kennis zo te operationaliseren tot ruimtelijk beleid sluit je perfect aan bij de plicht om een integrale omgevingsvisie te maken (art. 3.2, lid c).
  3. Nog een stap verder is het doorvoeren van dit beleid in ruimtelijke ontwerpopgaven. Kennis over de ontwikkeling van het landschap geeft inzicht in karakteristieke cultuurhistorische en landschappelijke structuren, waarden en processen. Door deze aan te wijzen, bijvoorbeeld in een cultuurhistorische waardenkaart, krijgen ze een plaats in ruimtelijke ontwerpen. Deze informatie is van waarde voor het omgevingsplan (art. 4.2).

Omgevingswet in het kort
Met de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2021 gaat er veel veranderen. Zo bundelt deze wet allerlei regels over onze leefomgeving. De 26 bestaande wetten voor o.a. bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur komen samen in één Omgevingswet. Dat maakt het een stuk simpeler. Het voordeel is dat je straks in een oogopslag kunt zien welke regels er gelden in je omgeving. Bínnen de regels is er veel ruimte voor initiatieven van burgers, bedrijven en instanties, bijvoorbeeld om mee te denken over grote bouwprojecten (‘uitnodigingsplanologie’).

Participatie

In de Omgevingswet speelt participatie een centrale rol. Dat geldt ook bij de totstandkoming van een landschapsbiografie. Luuk Keunen: “In de afgelopen jaren maakten we bij RAAP meer dan 40 cultuurhistorische waardenkaarten voor gemeenten. Vaak kregen we daarbij veel hulp van lokale historische verenigingen. Participatie speelt dus al langer een rol in onze projecten. Bij de landschapsbiografie wordt die rol nog wat opgeschaald. Bijvoorbeeld door bewoners te laten meedenken over gebiedskenmerken en identiteiten die voor hen van waarde zijn. Bovendien willen we ook een stem geven aan de inwoners uit het verleden. Hoe onze voorouders het landschap hebben ervaren, is ook een belangrijk aspect van een landschapsbiografie. Gelukkig vinden we daarvoor soms hele mooie historische bronnen.”


Waardenkaarten versus landschapsbiografie

Veel gemeenten hebben in de afgelopen jaren een cultuurhistorische waardenkaart of een archeologische waarden- en verwachtingskaart laten maken. Worden die met de Omgevingswet overbodig? “Zeker niet!” zegt Keunen, “je kunt het grote verhaal van het landschap ook vertellen aan de hand van cultuurhistorische kaarten. Die kaarten zijn nog steeds nodig voor de concrete borging van elementen en structuren in het toekomstige omgevingsplan. Maar je moet de landschapsbiografie eigenlijk zien als het overkoepelende verhaal.” 

Uit de vele details op de kaarten komen de grote thema’s bovendrijven die op het niveau van de omgevingsvisie relevant zijn. Dat verhaal is dus beleidsmatig van belang, maar ook om de identiteit of het DNA van de gemeente naar buiten te kunnen uitdragen. Het rapport bij een archeologische verwachtingskaart of een cultuurhistorische waardenkaart is vaak in eerste instantie een technisch-inhoudelijke toelichting op een kaart, inventarisatie en waardering. Keunen: “Bij een landschapsbiografie schrijf je meer voor een breed publiek, kijk je discipline-overstijgend en richt je je veel meer op overkoepelende thema’s, de identiteiten. Zo hebben we voor de gemeente Aa en Hunze eerder een cultuurhistorische waardenkaart gemaakt, en werken we nu aan een landschapsbiografie in de vorm van een digitale story map, een scrollbaar boek in de vorm van een website met kaarten. Publieksvriendelijkheid stond bij het maken bovenaan.”  


Senior projectleider cultuurhistorie RAAP:

Luuk Keunen T 0575-567876 | E l.keunen@raap.nl

VIDEO:
Cultuurhistorie wat moet en kan je ermee?

Voor de gemeente Zutphen maakt RAAP op het ogenblik een cultuurhistorische waardenkaart. Hoe het onderzoek daarvoor in zijn werk gaat en wat de gemeente ermee gaat doen, is te zien en te horen in deze reportage op ons Youtube-kanaal.

Deel dit bericht

Omgevingskwaliteit

Column

Woont u graag in een onaantrekkelijke omgeving met een vervuilde bodem en veel fijnstof in de lucht? Dat lijkt me van niet. Het wekt daarom geen verbazing dat in de Omgevingswet, die in 2021 van kracht wordt, een goede omgevingskwaliteit een centrale doelstelling is.  Nu is dat makkelijker gezegd dan gedaan, en al snel barstte dan ook de discussie los over wat wij onder een goede omgevingskwaliteit moeten verstaan. Het begrip kwaliteit is al complex, laat staan met de kwalificatie ‘goede’. Want wie gaat bepalen wat goed is, en hoe gaan we het objectiveren en meetbaar maken?
Misschien is het begrip kwaliteit wel vergelijkbaar met, vergeef mij de zijsprong, het begrip schoonheid. Ook dat is moeilijk vooraf te definiëren. Maar - vreemd genoeg - als je schoonheid eenmaal ervaart, weet je precies wat het is. Geen uitleg meer nodig. Blijkbaar werkt het zo dat de individuele beleving, met je eigen zintuigen dus, meer zegt dan een bedachte omschrijving of definitie ervan. Maar ……….. 
we zijn niet alleen, we zijn met z’n allen. In veel commentaren op de Omgevingswet wordt daarom in dit verband gesproken over ‘een gezamenlijke verantwoordelijkheid’ en een ‘maatschappelijke opgave’. Wij gaan blijkbaar gezamenlijk bepalen wat een goede omgevingskwaliteit is. Ik kan het niet helpen, maar ik moet daarbij steeds denken aan mijn eerste cursus projectmatig werken, waarbij de doelen wel vooraf worden bepaald, maar de vorm en inhoud toch vooral tijdens het proces tot stand komen.
Veel zal dus voorlopig nog in het ongewisse blijven. Gelukkig heeft het de wetgever echter behaagd, in de memorie van toelichting op de wet expliciet aandacht te besteden aan wat zij ziet als een van de dragers van een goede omgevingskwaliteit: cultureel erfgoed. Vanzelfsprekend naast andere dragers zoals natuur, landschap en architectuur. Dat doet RAAP deugd, dat zal u gezien onze liefde voor erfgoed en landschap niet verbazen. Als steuntje in de rug bij de gezamenlijke verantwoordelijkheid die ons te wachten staat, nog het volgende. We mogen dan misschien niet goed in staat zijn een goede omgevingskwaliteit vooraf te definiëren, het helpt wel enorm als we goede voorbeelden geven. Want als je het ervaart, als je het ziet, weet je precies wat het is. Dat is wat we hebben geprobeerd in dit magazine. Veel leesplezier gewenst.

Cultuurhistorie als inspiratiebron
bij actuele
    (water)vraagstukken

Actuele stadsproblemen te lijf gaan met cultuurhistorisch onderzoek: het kan een uitkomst zijn. Voor de moeilijkheden met de Zaltbommelse stadsgrachten leverde het in elk geval inspirerende inzichten op.

Schilderij: Stadsportret uit de raadzaal van het stadhuis van Zaltbommel, circa 1620, schilder onbekend.

De gemeente Zaltbommel is momenteel bezig met het opknappen van het park op de oude vestingwallen van de stad. De bijbehorende grachten verkeren in redelijk slechte staat. Ze zijn verland en er is geen goede doorstroming. In tijden van droogte, zoals de hete zomer van 2018, vallen delen ervan geheel droog. Dit komt de waterkwaliteit niet ten goede, het waterleven al helemaal niet en het dode organisch materiaal dat droog komt te liggen gaat rotten, wat een onaangename lucht produceert. Open water zorgt ook voor verkoeling op hete dagen, dus om die reden is een volle gracht eveneens wenselijk. Voor de waterproblemen zocht de gemeente een oplossing. Ze vroeg RAAP in de zomer van 2018 om het historische watersysteem van de vestingwerken in kaart te brengen en te kijken of daar inspiratie uit te halen is voor de toekomst.

Stadsgrachten bij een rivier De vestingstad

Zaltbommel ligt aan de Waal en is omgeven door grachten. Voor een stad die aan een rivier ligt, lijkt het logisch dat de grachten van die stad verbonden waren met de rivier. Deze gedachte blijkt - in elk geval voor Zaltbommel - bezijden de waarheid. Hier leverde de bestudering van het historische landschap en kaarten een heel ander beeld op dan je in eerste instantie zou verwachten. Er is een aantal goede redenen te geven waarom de stadsgrachten en de rivier de Waal hier juist geen vaste relatie gehad hebben.

De Belegering der Stad Salt Bommel 1574, onbekende schilder (Mijn Gelderland).

Allereerst heeft het grote nadelen als de stadsgracht en de rivier een-op-een gekoppeld zijn. Bij hoogwater wordt de stad dan immers letterlijk van alle kanten bedreigd door het water. En bij laagwater vallen de grachten droog. Er moet dus wel een (semi-)permanente scheiding zijn tussen de rivier en de grachten. Het ligt voor de hand dat deze scheiding onderdeel uitmaakt van de bandijk, die het achterliggende land beschermt tegen hoogwater. Ten tweede heeft water dat zich binnendijks bevindt de neiging om naar de laagste delen te stromen. Het stroomt naar de rivierkommen en dus van de rivier af in plaats van er naar toe. En dan is er ook nog een goed alternatief beschikbaar: een gracht die zo dicht bij de rivier stroomt, kan gevoed worden door kwelwater vanuit de rivier. Een open verbinding is voor de wateraanvoer daardoor dus ook niet nodig.

Veranderingen in het watersysteem

Het fraaie schilderij van de stad Zaltbommel uit 1620, dat in de raadszaal hangt, illustreert de bovengenoemde argumenten in de praktijk. Op de afbeelding zijn de twee grachten van de stad, de binnengracht langs de middeleeuwse stadsmuur en de buitengracht voor de bastions, in het oosten (links) met elkaar verbonden. Ze vormen dus één watersysteem. Door middel van stenen beren, die in het verlengde van de dijk in de gracht liggen, is dit watersysteem gescheiden van het rivierwater. Vóór de buitengracht ligt een weg en daarvoor ligt weer een sloot. Het lijkt erop dat deze sloot bedoeld is om wegsijpelend water vanuit de grachten af te voeren.

Interessant in dit licht is het plan tot verbetering van de afwatering van de Bommelerwaard, dat ingenieur van Rijkswaterstaat H.F. Fijnje in 1838 opstelde. Daarin beschrijft hij de afwatering van dit gebied in detail. Er valt te lezen dat de buitengracht van Zaltbommel op drie plaatsen via een sluisje verbonden was met een watergang. Die voerde het water af naar de wetering. Het ziet ernaar uit dat de grachten door deze permanente uitwatering continu gevoed konden worden met kwelwater. Ze konden zich dus continu verversen.


Aan het eind van de 19e eeuw waterden de stadsgrachten niet meer af op de wetering. Rond 1900 verzorgde een stoomgemaaltje de afwatering van de stadsgracht op de rivier. Later in de 20e eeuw is ook dat gestopt. In 1930 werd een plan opgesteld om bij Rossum, een dorp oostelijk van Zaltbommel, water in te laten en zo de watervoorziening in de Bommelerwaard te verbeteren. Ook het buitengebied van Zaltbommel profiteerde hiervan. De grachten werden echter niet op dit systeem aangesloten. De binnen- en buitengrachten werden aan het begin van de 20e eeuw individuele waterpartijen zonder afvoer. De aanvoer via kwel lijkt dan ook verminderd, maar daarover is nog weinig bekend.

Inspiratie voor de toekomst

In de rijke geschiedenis van het watersysteem van de grachten van Zaltbommel vallen twee zaken in het bijzonder op die interessant kunnen zijn voor de oplossing van de huidige waterproblematiek. Ten eerste was er de permanente uitwatering van de grachten. Die maakte het mogelijk dat het water via kwel steeds ververst werd. Ook interessant is het nog bestaande, maar gewijzigde, plan voor waterinlaat uit de 20e eeuw. Dat lijkt eveneens mogelijkheden te bieden voor watertoevoer naar de grachten. Uiteindelijk zal in de verdere planvorming gekeken moeten worden in hoeverre deze ‘inspiratie’ uit het verleden meegenomen kan worden bij het vinden van een oplossing voor de huidige wateropgave.


Projectleider RAAP:

Bjorn van Snippenburg T 0575-567876 | E b.van.snippenburg@raap.nl

Deel dit bericht

INTERVIEW

Het landschap 
onder de stad 

Wat was er voordat de huidige stad er was? Wat is er overgebleven van het landschap voor de stedelijke bebouwing uit de 20e eeuw? Die vraag stond centraal in   onderzoek naar het prestedelijk landschap van Eindhoven. Dat er nog verrassend veel over is, weet opdrachtgever Willemien van de Wijdeven, beleidsmedewerker erfgoed bij de gemeente Eindhoven, inmiddels.


Eindhoven staat nu op de vijfde plaats van grote steden in Nederland, maar ruim een eeuw geleden was het qua oppervlak één van de kleinste gemeenten. De stad ontstond in 1920 uit een fusie van de oorspronkelijke gemeente Eindhoven met vijf omliggende plattelandsgemeenten: Strijp, Woensel, Gestel, Tongelre en Stratum. Dat een stad zoveel dorpskernen in zich heeft opgenomen, zie je bijna nergens. Mede daardoor vind je ook nog zoveel oude landschapselementen in de stad terug.

In 2017 inventariseerde RAAP die cultuurhistorische elementen in het buitengebied van Eindhoven. “Voor onze bestemmingsplannen hadden we een goede onderbouwing nodig van cultuurhistorische gebieden” legt Willemien van de Wijdeven van de gemeente Eindhoven uit. “Vervolgens hadden we de behoefte om deze inventarisatie ook te laten doen voor het stedelijk gebied, want ook daar zijn historische resten die lang niet altijd in beeld komen.” RAAP deed dit prestedelijk onderzoek in 2018.

Foto: Willemien van de Wijdeven, beleidsmedewerker erfgoed bij de gemeente Eindhoven

Eindhoven 1964

Terwijl links en rechts actief aan de nieuwe wijken van Woensel werd gebouwd, bleef het lint langs de Woenselsestraat vooralsnog bewaard. De opname is gemaakt in augustus 1964 (bron: gemeente Eindhoven, foto 66420).

Prestedelijk landschap

Terwijl cultuurhistorisch onderzoek voor het buitengebied vooral gericht is op grote structuren en lijnen in het landschap, ligt de focus voor het prestedelijk landschap meer op kleine verwijzingen. Plekken die gespaard zijn gebleven, een verspringende rooilijn, enkele oude bomen in een tuin, kleinere details. Er wordt op een fijnere schaal gekeken in de stad van voor de stedenbouwkundige ontwikkelingen, tot ongeveer 1900/1950.

Het eindresultaat van het onderzoek voor Eindhoven zijn drie kaarten (schaal 1:15.000) en een toelichtend rapport, met tips voor meer zichtbaarheid van het prestedelijk landschap in de stad. De kaarten zijn begin 2019 opgeleverd. Ze zijn gekoppeld aan een GIS-database en tonen de prestedelijke kenmerken en herkenbaarheid van het landschap, en de waardering van landschapselementen. Hoewel input voor het bestemmingsplan volgens Van de Wijdeven de eerste insteek was, draagt het onderzoek ook bij aan nieuw erfgoed- en groenbeleid: “In de toekomst kunnen bij ruimtelijke opgaven specifieker landschappelijke waarden meegenomen worden of zelfs als vertrekpunt gebruikt worden.”

Uitsnede van de prestedelijke kenmerkenkaart van Eindhoven 

Zijn de kaarten voor het prestedelijk landschap al van pas gekomen? Willemien van de Wijdeven: Voor het buitengebied zijn ze al gebruikt bij de actualisatie van het bestemmingsplan Buitengebied. Het prestedelijk onderzoek verwerken we nu in Tongelre buiten de ring en Strijp buiten de ring, dat zijn ook actualisatieplannen. Voor Tongelre hebben we daar ook al reacties op gehad. In Tongelre liggen enkele villawijken en daarvoor geldt een hoge herkenbaarheid van het prestedelijk landschap en er zijn typerende lijnstructuren te vinden. Mensen daar hebben opgemerkt dat de grens op de kaart niet altijd logisch ligt, bijvoorbeeld in hun tuin. Dat is natuurlijk niet handig. Maar het is wel goed dat zoiets gebeurt, want wij moeten nog ontdekken wat de beste manier is om de informatie in de stedelijke bestemmingplannen te verwerken. In gebieden die voor een groot deel bebouwd zijn en waar dus veel particuliere tuinen zijn, zou je de bescherming misschien beter per soort gebied kunnen nuanceren. Dus niet voor alle gebieden hetzelfde laten gelden. 

Wat vindt u van het eindproduct: zijn de kaarten praktisch goed te gebruiken? Ja, ik raadpleeg de kaarten zeer geregeld en zoek vaak in de GIS-database zaken na.

Ik gebruik de kaarten altijd als ik word betrokken bij nieuwe ruimtelijke plannen. Ook andere afdelingen, zoals de afdeling Groen, gebruiken de informatie. En onlangs vroeg de afdeling Water de GIS-data op, om te voorkomen dat er onnodig historisch groen gekapt wordt als men in een bepaald watergebied bezig is. De kaarten staan op het centrale netwerk van de gemeente en iedereen van het ruimtelijk domein kan erbij.

Wat is de status van het onderzoeksrapport? In afwachting van de actualisatie van onze cultuurhistorische waardenkaart willen we via een beleidsregel vast laten leggen dat het onderzoeksrapport naast die kaart als toetsingskader geldt bij vergunningaanvragen, en ook als beleidsonderlegger bij onze bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen. Het onderzoek vormt daarmee mede de basis voor de bescherming van cultuurhistorie in onze ruimtelijke plannen. We verspreiden het rapport zowel intern als extern. Bijvoorbeeld bij erfgoedinstellingen als de Van Abbe Stichting en Trefpunt Groen Eindhoven. Kortgeleden was ik bij Landgoed de Grote Beek, een GGzE instelling, en sprak ik met de beheerders van het landgoed. Zij zijn bezig met een masterplan en willen iets met het wegenpatroon doen en zijn bezig met het kappen van bos. Omdat ik altijd uitsneden van de kaarten meeneem, kon ik met het RAAP-onderzoek aangeven dat er onder andere een ‘celtic field’ in het gebied ligt en zeer veel waardevolle historische infrastructuur. Het was leuk om te merken dat ze daar enthousiast over waren en er ook rekening mee willen houden in hun plannen.

Hoe bent u bij RAAP terechtgekomen voor deze opdracht? We kennen RAAP als archeologisch bureau en hadden al wat gezien van het cultuurhistorisch onderzoek. Daar hadden we een goed gevoel bij. Ook omdat RAAP samenwerkt met andere bureaus die stedenbouwkundig onderzoek doen, waarover wij met vragen zaten. We waren zoekende en het onderzoek naar het buitengebied had haast. Daarom zeiden we, laten we eerst dat landschappelijke gebied doen, dan is dat er alvast. Luuk Keunen hebben we toen uitgenodigd om te komen praten en dat maakte een heel goede indruk op ons. Verder weten we dat zijn collega Jan Roymans veel met beekdalen bezig is. Het gaf ons het idee dat het onderzoek bij RAAP in goede handen zou zijn. 


Waarom wil de gemeente het prestedelijke landschap beter herkenbaar maken? Dat is in 2012 al verwoord in de Integrale Visie Erfgoed. De historie van de stad herkenbaar en zichtbaar houden en maken is een van de belangrijkste uitgangspunten daarin. Er zijn natuurlijk meerdere belangen en ook meerdere lagen. Zo is de wederopbouwlaag belangrijk voor Eindhoven. Voor de afdeling Erfgoed is dat sowieso het uitgangspunt, maar het moet ook door de gemeente gedragen worden. De MoMo [Modernisering Monumentenzorg, red.] gaf aan dat gemeenten cultuurhistorie mee moeten wegen in de ruimtelijke ordening. Met deze inventarisatie is nu duidelijker hoe dat in Eindhoven kan. 

Is het onderzoek voor intern gebruik, of ook publiek? Wat we willen is dat deze informatie straks via het Omgevingsplan openbaar wordt gemaakt. Mensen moeten in het Omgevingsplan gaan kijken wat er kan en mag op een bepaalde plek. Cultuurhistorische waarden zijn dan niet alleen richtinggevend aan de ontwikkelingen, dus ‘wat mag wel en wat mag niet’, maar ze kunnen ook het vertrekpunt aangeven en een inspiratiebron zijn. We moeten naar een manier zoeken, zodat mensen gemakkelijk bij de informatie kunnen komen. Onze huidige cultuurhistorische waardenkaart, die digitaal te raadplegen is, is vrij plat, maar het is de bedoeling een actualisatie ervan te maken waarin alle onderzoeken verwerkt worden. Een kaart van deze tijd, op een slimme manier aangeboden op een website. Het is het streven om in 2021, als het Omgevingsplan er is, ook die kaart af te hebben. Als publiekskaart zou je het dan ook thematisch kunnen aanpakken, bijvoorbeeld het Philips-erfgoed als een apart thema in een aparte laag aangeven. We overwegen verder om, als alle onderzoeken die nu nog lopen binnen zijn, een symposium of iets dergelijks te organiseren voor de betrokken partijen. Om ook op die manier alle nieuwe informatie onder de aandacht te brengen.
Wat vindt u het meest interessante gegeven dat dit onderzoek heeft opgeleverd? De bevestiging, of toch ook de verrassing, dat er nog zoveel bewaard is gebleven. Ik ben zelf inwoner van Eindhoven, dus dan zijn er dingen en plekken die je goed kent en die opvallen. Zoals een paar oude lindebomen bijvoorbeeld, die nu los in hun omgeving staan. Als je de kaart er dan bij pakt, zie je dat daar oude boerderijen hebben gestaan. Zoiets is nu voor de hele stad in beeld gebracht. Het is mooi om te zien dat er zoveel over is. Zo weet ik van het Wasven bijvoorbeeld, een landgoedachtig gebied in Tongelre, dat het wordt beheerd door mensen die de plek heel goed kennen. Toch waren ze verbaasd dat er zaken in kaart gebracht zijn, die nieuw voor hen waren. Terwijl ze er al jaren zitten en er veel over weten, werden ze toch verrast door het onderzoek van RAAP.

Deel dit bericht

Duurzaamheid, energietransitie,
klimaatverandering





Het zijn hoogst actuele onderwerpen: hoe maken we ons land duurzamer, hoe geven we invulling aan de energietransitie en hoe gaan we om met klimaatveranderingen? De erfgoedsector gaat niet voorbij aan deze belangrijke ontwikkelingen. Van het energiezuinig maken van monumentale woningen tot het opwekken van energie in het landschap: ook de erfgoedsector heeft hierin een rol te vervullen. Twee recente bijdragen illustreren dat.






Duurzame energie in een waardevol cultuurlandschap

Op het gebied van energietransitie hebben de samenwerkende gemeenten in de Regio Achterhoek één gezamenlijke visie opgesteld over de energieopgave in het landelijk gebied. Vanuit die basis werkt elke gemeente dat op haar eigen manier uit. RAAP droeg hieraan bij door voor het regionaal koersdocument voor de hele Achterhoek een historisch-geografisch kaartbeeld samen te stellen waaruit de wijze van ordening van het landschap blijkt: regelmatige of onregelmatige ordening, openheid of geslotenheid en de korrelgrootte (kleinschalig of grootschalig). Daarnaast is een regionale kaart van de gaafheid en waardering van het historisch landschap gemaakt. De combinatie van beide kaarten is waardevol om te bepalen waar duurzame vormen van energie in het landschap, met name zonnevelden, wel en waar ze niet gewenst zijn. Het is een van de afwegingsgronden die gebruikt kan worden om de gewenste locaties te bepalen. Bij het opstellen van de kaarten is gekozen voor de insteek om niet van de huidige situatie uit te gaan, maar van de historische. Het idee daarachter is dat je daarmee bijdraagt aan de mogelijkheid om historische landschapscontrasten te herstellen, bijvoorbeeld in ooit kleinschalige landschappen die nu enorm opgeschaald zijn. De energietransitie en de optie te compenseren in de vorm van landschapsherstel kunnen vanuit dat kaartbeeld hand in hand gaan.

Bodemdaling en stedelijke ontwikkeling

Bodemdaling en wateroverlast zijn maatschappelijke thema’s waar veel historische binnensteden mee te maken hebben. Zo zijn in Gouda veel oude huizen in de binnenstad los gefundeerd op een zachte veenbodem die steeds meer inklinkt. De bodem daalt, maar voortdurend het waterpeil verlagen brengt risico’s met zich mee, zoals schade aan panden. Het brede samenwerkingsverband ‘Coalitie Stevige Stad op Slappe Bodem’ liet daarom onderzoek doen naar andere oplossingen om het probleem van bodemdaling in steden zoals Gouda aan te pakken. RAAP schreef daarover een synthese. De onderzoeken hebben in beeld gebracht welke historische factoren de snelheid van bodemdaling beïnvloeden. De synthese sluit af met lessen en praktische aanbevelingen. Het is bijvoorbeeld te overwegen om op andere vormen van stedelijk waterbeheer over te stappen. Ook is duidelijk geworden dat de bodemdalingsproblematiek vraagt om een geïntegreerd meetnetwerk, multidisciplinaire analyse van ‘harde data’ en verder technisch onderzoek naar bijvoorbeeld onderwaterdrainages. De publicatie is bestemd voor beleidsmakers, waterschappen, Rijkswaterstaat, archeologen en andere erfgoeddeskundigen, en is te downloaden via de website van de RCE en de gemeente Gouda:


>> DOWNLOAD PUBLICATIE

Erfgoed Deal

Met behulp van erfgoed zoeken naar oplossingen voor hedendaagse uitdagingen zoals verduurzaming, het opwekken van nieuwe energie, weerstand bieden tegen wateroverlast en omgaan met droogte en hitte: dat is de gedachte achter de Erfgoed Deal. De overheid trekt de komende vier jaar zo’n 40 miljoen euro uit voor het behoud en gebruik van erfgoed bij grote ruimtelijke opgaven, zoals klimaatadaptatie, energietransitie en bevolkingsgroei en -krimp. In de Erfgoed Deal maken overheden en milieu-, monumenten- en erfgoedorganisaties daarover afspraken. Door samenwerking worden krachten gebundeld en kan effectiever worden toegewerkt naar een waardevolle leefomgeving. Gemeenten en provincies kunnen projecten voordragen voor het jaarlijkse uitvoeringsprogramma.

Deel dit bericht

#UIT 'T VELD
Etzenrade: cultuurhistorie als ontwerp-assistent

In het Limburgse Jabeek, in de gemeente Beekdaelen, liggen de restanten van kasteel Etzenrade verborgen. Van de geschiedenis weten we weinig. Het kasteel stond in een moerassig gebied bij de Rode Beek. Huis Etzenrade staat voor het eerst vermeld in een historische bron uit 1299, maar op 18e-eeuwse kaarten is er geen kasteel meer te herkennen. Wel waren er toen nog de nog bestaande kasteelhoeve (Etzenraderhuuske) met daarachter grachten rond twee eilanden. 
Inrichting terrein Etzenrader Huuske (Foto: Van de Beeten)
Impressie van het ontwerp van LOLA Landscape Architects, Deltavormgroep en Piet Oudolf.

In 2016, 2017 en 2018 deed RAAP archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek naar het voormalige kasteel voor de gemeente Onderbanken. Er werden boringen op het terrein gezet en proefsleuven gegraven en allerlei historische kaarten en andere bronnen bestudeerd. Dat leverde een goed beeld op van de ligging van de kasteelresten en de omvang van de grachten, evenals een hoop vondsten.


Om de historische grachten rond het verdwenen kasteel weer beleefbaar te maken werd een plan bedacht.Het is de bedoeling dat de uitgegraven grachten gebruikt gaan worden om overtollig regenwater te bergen en daarnaast krijgt het terrein een educatieve en toeristische functie. Het plan is een van de IBA-Parkstad-projecten die de toekomst van de voormalige mijnregio zal verbeteren.

Het onderzoek van RAAP vormde de input voor het landschapsontwerp dat de internationaal bekende tuinarchitect Piet Oudolf en Lola Landscape Architects vervolgens maakten. Niet alleen de grachten maar ook de proefsleuven die tijdens het archeologisch onderzoek zijn gegraven, komen terug in het ontwerp. Van de opgegraven vondsten worden replica’s in 3D geprint en in de tuin tentoongesteld.


In 2019 wordt de tuin gerealiseerd en RAAP begeleidt momenteel het uitgraven van de grachten. Het park combineert straks archeologie, kunst, water, natuur en recreatie. Het project is een samenwerking tussen de gemeente Beekdaelen, Parkstad Limburg, provincie Limburg, Natuurmonumenten en familie Schoffelen als grondeigenaars, Waterschap Limburg, Piet Oudolf, Lola Architects en RAAP. In 2020 worden alle plannen voor IBA tentoongesteld.


Projectleider RAAP:

Danny Keijers T 0495-513555 | E d.keijers@raap.nl

Meer voorbeelden van inpassing van erfgoed in ruimtelijke ontwerpen via onderstaande link: 

Verbeelding en inrichting

Deel dit bericht

De krinkeldewinkel van de Waaldijk
spreekt boekdelen

Veilige dijken zijn bijna een eerste levensbehoefte, daarom wordt er hard aan gewerkt. Om overstromingen voor te zijn, vindt in Nederland de grootste dijkversterkingsoperatie ooit plaats. Meer dan 1100 kilometer dijken wordt aangepakt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Waaldijk in de gemeenten Neder-Betuwe en Tiel: een enorme klus waar ook cultuurhistorisch onderzoek aan te pas komt.



Achtergrondfoto:
Strang bij Hien, gezien richting het oosten. 

Figuur:
 Schematische weergave van de ontwikkeling van de Waaldijk en de rivier de Waal in het onderzoeksgebied.

De meer dan 700 jaar oude Waaldijk in Neder-Betuwe voldoet niet meer aan de huidige strenge veiligheidsnormen. De dijk gaat in 2022 op de schop en Waterschap Rivierenland is bezig met de voorbereidingen. Daarvoor heeft buro Bosch Slabbers een ‘handreiking ruimtelijke kwaliteit’ opgesteld, bedoeld om kansrijke oplossingen en knelpunten in beeld te krijgen. Eén van de deelstudies daarvan is het archeologisch, aardkundig en cultuurhistorisch onderzoek dat RAAP uitvoerde.


Steven van der Veen, projectleider bij RAAP, heeft aan al diverse dijkbeschermingsprojecten meegewerkt: “Zo’n dijk is ogenschijnlijk een dunne lijn in het landschap waarvan je kunt denken: wat moet je ermee? In de loop der tijd is hij flink opgehoogd en het is niet meer dat lieflijke oude dijkje. Maar als je dan met je onderzoek inzoomt op de dijk, zie je al die kronkels en merk je dat elk bochtje wel een eigen geschiedenis heeft.” Uit de ingrepen die in het verleden in het dijktracé plaatsvonden zijn lessen te leren en is inspiratie te halen ter verbetering van de dijk. Dat draagt bij aan duurzame dijken die weer lange tijd mee kunnen.  

Voorbereiding

Het versterken van de Waaldijk duurt circa zes jaar en vraagt veel voorbereiding. Dijken worden gemonitord en regelmatig getoetst om te bepalen of ze nog voldoen aan de gestelde veiligheidsnormen. Via metingen wordt berekend welke dijkdelen afgeschreven zijn. Er vindt geotechnisch onderzoek plaats. Met sondeerwagens wordt bekeken hoe veilig het dijktracé is. Dan wordt het Kader ruimtelijke kwaliteit opgesteld, met onderzoek naar allerlei aspecten zoals natuur, mobiliteit en ook archeologie, aardkunde en cultuurhistorie als input. Vervolgens gaan ontwerpers ermee aan de slag en wordt het nieuwe dijktracé bepaald. Pas dan kan de dijk op de schop en vinden de herstelwerkzaamheden plaats.

Kaart: Een deel van de bebouwing in Ochten was in de 19e eeuw op de dijk georiënteerd. De dijk met bewoning maakte deel uit van de bewoningskern, maar vormde niet het centrum. Verpondingskaart 1807. GA 0873, inv. nr.152.

Grillig beloop

Het hart van de Waaldijk laat goed zien dat deze ooit begon als een nietig waterkerinkje, waaraan door de tijd, laag voor laag, aarde is toegevoegd. Bewoners hebben er koortsachtig met grond gesleept om de dijk op te hogen en aan te bermen. Ook het grillige beloop van de rivier, zijn krinkeldewinkel, toont het bewogen lot van de dijk in de afgelopen zeven eeuwen. Overal waren de omstandigheden anders, omdat de bodem nu eens klei, dan weer zand bevatte, en de rivier dichtbij of juist verder lag. Het was een voortdurende strijd tegen het water en de dijk is te zien als optelsom van maatwerkoplossingen. Van der Veen: “Op historische kaarten die we analyseerden, zie je dat de Waaldijk steeds aangepast is met noodmaatregelen of preventief. Op sommige plekken lagen kwelkades, waarschijnlijk aangelegd omdat bewoners last hadden van kwelwater dat via een oude zandbaan onder de dijk naar binnen sijpelde. Of je ziet een kaarsrecht stuk, daar is de dijk terug gelegd na een dijkdoorbraak. Wielen geven plekken van dijkdoorbraken aan. Met kribben werd geprobeerd de rivier van de dijk weg te houden. Waar dit is gelukt, liggen nu nog killen en strangen, restgeulen die vaak bijzondere natuurgebiedjes zijn geworden. En moest de dijk worden opgehoogd en ontbrak daarvoor de grond buitendijks? Dan werden binnendijks percelen afgegraven. Op een kaart uit 1810 van Ochten zie je dat het halve dorp is weggegraven om de dijk op te kunnen hogen.”

Blauw erfgoed

Het cultuurhistorisch onderzoek van de Waaldijk leverde niet alleen een uitgebreide en actuele inventarisatie op. Er is ook een aantal kansrijke oplossingsrichtingen geformuleerd in samenwerking met landschapshistoricus Ferdinand van Hemmen. Een voorbeeld is de beplanting die van oudsher rond de dijk bestond ter bescherming tegen golfaanvallen. Meer opgaand groen maakt de dijk veiliger en ook ecologisch vitaler. Een ander aspect van de dijk zijn de natte elementen eromheen, zoals natte laagtes aan de buitenteen waar aarde werd gehaald voor dijkonderhoud: dijkputten. Inmiddels zijn deze plekken aan het verlanden, maar dijkversterking biedt de kans om dit blauwe erfgoed beter uit de verf te laten komen. Met uitleg erbij krijgen de vroegere dijkputten een eigentijdse betekenis. Zo zijn er meer maatregelen waarmee het dijkerfgoed behouden kan blijven en versterkt kan worden bij de nieuwe ontwikkelingen.


Projectleider RAAP:

Steven van der Veen T 0512-589140 | E s.van.der.veen@raap.nl

Deel dit bericht

Militair erfgoed
zien en beleven 

Oorlog en defensiewerken laten sporen en vondsten achter in het landschap. Aan die relicten van conflicten kunnen boeiende verhalen kleven, die erom vragen met het publiek gedeeld te worden. 

Twee mooie voorbeelden:

Zeeslagen op de Landschotse heide

Bomkraters, aarden wallen, kuilen en schuttersputjes: op de Landschotse Heide in Westelbeers kun je deze sporen met een geoefend oog nog terugvinden. Je ziet ze in elk geval op de AHN, een kaart met zeer nauwkeurige hoogtegegevens. Het blijken relicten te zijn van een oefenschool voor Duitse piloten en van een dumpplek. Midden op de Landschotse Heide werden in de Tweede Wereldoorlog hele zeeslagen geoefend! Ook Duitse piloten die om een of andere reden hun bommen niet konden afwerpen op Londen of vijandelijke schepen, lieten hier hun scherpe bommen vallen, omdat ze daarmee niet op het vliegveld mochten landen. Zodra piloten de markering van een grote witte N (Notabwurfplatz) zagen, wisten ze dat ze hun bommen en mijnen moesten droppen. Dat ging geregeld mis. Zee- en landmijnen werden aan een parachute afgeworpen en konden door de wind zelfs tot buiten het Sperrgebiet meegevoerd worden. Daarvan getuigen twee enorme kraters die bij het droogleggen van het nabijgelegen Visserven in 2012 tevoorschijn kwamen. Om het oefenterrein zo realistisch mogelijk te maken, had de Luftwaffe een 50 meter lange aarden wallen opgeworpen. Die moesten doorgaan voor een konvooi geallieerde schepen: het doelwit van de Duitse piloten tijdens de Slag om Engeland. Op oude luchtfoto’s is te zien dat er zelfs houten masten en kajuiten op de wallen zaten om de nepboten echt te laten lijken. 

Voor burgers was de Landschotse heide in de oorlog een verboden zone. Toch leefden er bij omwonenden wel verhalen over het oefenterrein en de dumpplek, hoewel die soms een eigen leven gingen lijden. Door de combinatie van veldinspecties, analyse van de AHN, historische kaarten en luchtfoto’s, archiefonderzoek en gebruikmaking van ooggetuigenverslagen, kon RAAP het karakter van allerlei cultuurhistorische relicten in het landschap in kaart brengen en het verhaal verhelderen. Begin 2019 is het rapport opgeleverd, met daarin ook praktische adviezen hoe het voor velen onbekende verhaal van deze plek, beleefbaar voor bezoekers te maken is.


Senior projectleider RAAP:

Jan Roymans T 0495-513555 | E j.roymans@raap.nl

Betere ontsluiting en beheer

Op de Landschotse Heide wordt gewerkt aan nieuwe natuur, beter waterbeheer en een nog aantrekkelijker leefomgeving. In de herinrichtingsplannen hebben landschap en cultuurhistorie een belangrijke plek. Stichting Brabants Landschap en Waterschap de Dommel willen de cultuurhistorie beleefbaar maken voor bewoners en bezoekers. Al vroeg in de planvorming gaven zij RAAP opdracht om het in het veld zichtbare erfgoed te inventariseren. Daarmee kunnen deze waarden meewegen in de plannen voor natuurontwikkeling, waterbeheer en toeristisch-recreatieve ontsluiting. 

In het microreliëf van de AHN zichtbare contouren van vier van de vijf resterende schijnboten (rode cirkel).
Uitsnede van een luchtfoto uit 1944 waarop de opbouw van de vijf schijnboten is te zien (DOTKA).
Notabwurfplatz für Bomben, gemarkeerd met de letter N (links) en richtvizier (rechts) (DOTKA).
Kraters van twee ontplofte zeemijnen in het Vissersven
(foto: J. Roymans).

Strategische linie langs de Rijn 

Schilderij van het beleg van Schenckenschans door prins Frederik Hendrik, april 1636, Gerrit van Santen.

Paalsporen, kuilen, greppels, maar ook papkommen, tabakspijpen, musketkogels, munten, knopen, spijkers, klingen van degens: allemaal oorlogsrelicten opgegraven in het Gelderse Spijk. Ze hoorden bij een 17e-eeuwse linie rondom de Schenkenschans. Deze versterking lag op de plek waar de Rijn en Waal splitsen, een locatie die in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) van strategisch belang was. Het was het meest oostelijke fort in Nederland, ook wel ‘de sleutel tot Holland’ genoemd.

In 1635 was het de Spanjaarden gelukt om de Schenkenschans, het huidige dorpje Schenkenschanz dat sinds 1816 in Duitsland ligt, te veroveren. Daarop zette prins Frederik Hendrik van Oranje alles in het werk om het fort terug te winnen. Rond de Schenkenschans liet hij een circumvallatielinie aanleggen: een enorme omsingelingslinie van schansen en loopgraven. De opgegraven vondsten geven een kijkje in het dagelijks leven van de soldaten die gelegerd waren binnen de circumvallatielinie.  De linie liep onder andere door het Spijk, een landtong in een bocht van de Rijn. Een historische bron vermeldt dat het Spijk werd geblokkeerd door het ‘retrenchement met syn redouten duars ouer het Spijck’ en centraal daarin lag de rechthoekige schans ‘Quartier op het Spijck om ter noot te gebruyken daerin 3000 man kan logeren’. De linie zorgde ervoor dat de Schenkenschans niet meer bevoorraad kon worden. Zo werden de Spaanse soldaten uitgehongerd. Uiteindelijk slaagden de Staatsen erin de schans op 29 april 1636 te heroveren. 

Drie eeuwen later zijn er opnieuw oorlogssporen op die plek achtergelaten: Duitse loopgraven en een kuil vol vliegtuigonderdelen. Het waren wrakstukken van een gecrashte, geallieerde bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog, waarschijnlijk de Britse viermotorige Short Stirling.  RAAP en Royal Haskoning verzorgden in opdracht van Rijkswaterstaat in het najaar van 2018 een kleine expositie in dorpshuis De Spieker. Omwonenden konden daar opgegraven vondsten bekijken en op banners over de voorlopige resultaten lezen. Het eindrapport van het onderzoek in Spijk is in maart 2019 opgeleverd. 


Projectleider RAAP:

Jasper Tuinstra  T 0575-567876 | E j.tuinstra@raap.nl

Overnachtingshaven voor binnenvaartschippers

Langs de Rijn in de Beijenwaard bij Spijk realiseert Rijkswaterstaat een overnachtingshaven. Die moet een vlotte en veilige doorstroming van het scheepvaartverkeer bevorderen. De aanleg brengt diepe ontgravingen met zich mee, vandaar dat archeologisch onderzoek nodig was en een controle op niet-gesprongen explosieven. Na een booronderzoek voerde RAAP in opdracht van Royal HaskoningDHV B.V. een proefsleuvenonderzoek uit om de archeologische waarde van het terrein te bepalen. Voor de herinrichting is het belangrijk te weten of de vindplaatsen behouden kunnen blijven of moeten worden opgegraven. 

Een papkom uit 1575-1625, waarschijnlijk van de gebruikers van de linie.
Niet afgevuurde musketkogels van de strijd om de Schenkenschans.
Een Spaanse mat uit de late 16e eeuw.
In het profiel zijn kuilen ingekrast die onderdeel waren van de circumvallatielinie.
Enkele tentoongestelde vondsten van de Schenkenschans.

Deel dit bericht

Veelgestelde vragen
over cultuurhistorie

  • 1. Wat moet je als gemeente mimimaal
    geregeld hebben qua cultuurhistorie als
    de Omgevingswet in werking treedt?

     Dat hangt er vanaf welk instrument van de Omgevingswet je bedoelt. In de omgevingsvisie gaat het vooral om de hoofdlijnen en de ruimtelijke identiteiten van een gemeente. Wat maakt de gemeente tot dat wat het is? Erfgoed kan daar een belangrijke bijdrage aan leveren, vooral het overkoepelende en verbindende verhaal van de gemeente (‘landschapsbiografie’). In het omgevingsplan gaat het veel meer om de borging van individuele kwaliteiten, vergelijkbaar met het vroegere bestemmingsplan.

  • 2. Wat voor soort cultuurhistorisch onderzoek past er bij de verschillende instrumenten binnen de Omgevingswet?  

     Het soort onderzoek hangt samen met het instrument uit de Omgevingswet. In de omgevingsvisie gaat het vooral om het DNA van een gebied, de identiteiten die een gebied maken tot wat het is. Daarvoor is een landschapsbiografie een goed middel. Gaat het om een gedetailleerder niveau, zoals voor het omgevingsplan, dan is een cultuurhistorische waardenkaart eerder geschikt.

  • 3. Is de cultuurhistorische waardenkaart nog wel een zinvolle manier van presenteren van de informatie in het licht van de Omgevingswet?

     Ja, want een cultuurhistorische waardenkaart biedt de detailinformatie die noodzakelijk is voor de borging van waarden in het omgevingsplan.

  • 4. Wat is integraal cultuurhistorisch onderzoek en hoort archeologie daar ook bij?

     Integraal cultuurhistorisch onderzoek richt zich op alle aspecten van ons ruimtelijk verleden. De manier van onderzoeken is daarbij pas in tweede instantie relevant. Als we willen weten hoe mensen in het verleden het landschap hebben ingericht, kunnen we kennis verzamelen via archeologisch, historisch-geografisch, bouwhistorisch en historisch-stedenbouwkundig onderzoek. Eventueel is ook onderzoek naar veldnamen, paleo-ecologie etc. in te zetten. Integraal cultuurhistorisch onderzoek is dus heel breed. De samenhang tussen die disciplines levert een meerwaarde.

  • 5.  Heeft RAAP alle kennis in huis om een compleet cultuurhistorisch onderzoek
    uit te voeren?

     RAAP heeft allerlei specialisten in huis zoals archeologen, aardkundigen en historisch-geografen. Omdat het erfgoeddomein groter is en samenwerking de kwaliteit vaak vergroot, werken wij graag samen met een aantal betrouwbare partners die net als RAAP voor goede kwaliteit staan. In die gevallen treedt RAAP op als coördinator voor het complete onderzoek. Tot de partners behoren: Bureau Overland (Wageningen; landschap en procesbegeleiding), Monumenten Advies Bureau (Nijmegen; architectuur- en bouwhistorie), Van Meijel Adviseurs in Cultuurhistorie (Nijmegen; architectuur en stedenbouw), Els Bet Stedebouwkundige (Rotterdam; stedenbouw), Ferdinand van Hemmen (Huissen; landschap en gebiedsontwikkeling rivierengebied). Daarnaast werken wij samen met verschillende partijen op het gebied van planologie en omgevingsrecht.

  • 6. Waarom zou ik een Erfgoednota laten opstellen?

    De stap van informatie naar beleid is er een om goed over na te denken. Welke informatie en waarden willen we een rol laten spelen in het beleid? Wat beschermen we, en wat doen we bij plannen die niet in het bestemmingsplan passen? Op welke manier gaan we toeristisch-recreatief om met ons erfgoed? Die beleidsrichtingen zijn in een erfgoednota vast te leggen. Van daaruit kunnen concrete maatregelen worden genomen. 

  • 7. We hebben veel cultuurhistorische informatie verzameld binnen onze organisatie: hoe kunnen we dat het beste met het publiek delen? 

    Daarvoor zijn veel mogelijkheden. Denk aan een erfgoedviewer op internet, waarbij gebruikers interactief allerlei kaartlagen kunnen raadplegen. Een papieren boek is ook nog steeds populair: de oplagen van erfgoedatlassen raken altijd snel uitverkocht! Een andere optie, een mengvorm, is een digitale ‘storymap’ als onderdeel van een website waarin je het verhaal van een gebied leest, en al scrollend of bladerend de bijbehorende kaarten ‘automatisch’ mee veranderen. RAAP kan zo’n viewer of storymap maken, maar ook services leveren die in de eigen webviewer van een organisatie in te lezen zijn.

  • 8. Hoe kunnen de uitkomsten van cultuurhistorisch onderzoek zinvol zijn voor private partijen?

    Dat is heel uiteenlopend. Qua bovengronds erfgoed kan het in de eerste plaats helpen om de benodigde vergunning te krijgen. Bijvoorbeeld als de gemeente stelt dat bij de ontwikkeling van plannen de cultuurhistorische waarden niet onevenredig aangetast mogen worden. Soms kan een kleine planaanpassing al helpen om die regel te eerbiedigen. We kunnen ook advies geven als er een conflict bestaat over de cultuurhistorische waarde van een bepaalde structuur, en helpen een plan of ontwerp inhoudelijk te verbeteren. Daarnaast kan erfgoed een positieve bijdrage leveren aan de uitstraling van projecten of plannen. Verder helpen wij ook stichtingen om hun doel te realiseren, zoals de totstandkoming van een Unesco Geopark in de regio Gooi en Vechtstreek. 

  • 9. Cultuurhistorie kost geld, maar levert het financieel ook iets op? 

    Zeker! Uit wetenschappelijk onderzoek komt naar voren dat erfgoed, waaronder cultuurhistorie, op allerlei manieren geld genereert. Het geeft de leefomgeving identiteit en maakt een plek aantrekkelijk, wat weer bijdraagt aan inkomsten uit toerisme & recreatie. Verder vermeerdert bijvoorbeeld de waarde van panden door de positieve invloed van monumenten- en gebiedsbescherming op de kwaliteit van een gebied.  

  • 10. Welke rol kan de cultuurhistorie of historische geografie spelen bij archeologisch onderzoek? 

    Die rol is heel divers. Historische bronnen raadplegen kan helpen om de archeologische verwachting van een gebied realistischer in te schatten. Zo leverde de bestudering van oude luchtfoto’s in Baarn de vondst van een lang verdwenen kasteel uit de volle middeleeuwen (1000-1200) op: het kasteel was uit geen enkele andere bron bekend. Bij de uitwerking van archeologisch onderzoek kan een historisch-geografische studie helpen om de resultaten te interpreteren. Bijvoorbeeld zoiets eenvoudigs als de duiding van aangetroffen muurwerk door vergelijking met oude kadastrale hulpkaarten. Het kan ook helpen om vondsten als aardewerk, glas, etc. aan de sociaal-maatschappelijke context te koppelen, aan de eigenaren of bewoners van een pand. Zo krijgen de toch wat abstracte vondsten ineens een gezicht. Bij een opgraving in Varik spoorde RAAP de laatste, nog levende - en in Noord-Amerika woonachtige - bewoner op van een in de Tweede Wereldoorlog verwoeste boerderij. Dat maakt het wetenschappelijke verhaal van een opgraving ineens tastbaar voor de lokale gemeenschap. 

Een aantal van onze erfgoed-partners

Deel dit bericht

HISTORISCH GROEN
 in beeld

Houtwallen, geriefbosjes, kloostertuinen, boomgaarden, hofjes, bomenlanen bij kastelen: veelal gaat het hierbij om historisch groen dat in het verleden is geplant. In de afgelopen jaren is de aandacht voor dit groene erfgoed duidelijk toegenomen. Meer dan ooit gaan er stemmen op om de groene ‘aankleding van het landschap’ te beschermen en ook te versterken. Dat dat zelfs leidt tot internationale aandacht blijkt uit de bescherming van het Maasheggenlandschap als biosfeerreservaat van Unesco in 2018. Door veranderingen in het landschap worden historische groenstructuren steeds zeldzamer, en dat maakt het de moeite waard om te onderzoeken waar dit groen nog bestaat. Op die manier kun je er immers rekening mee houden in ruimtelijke plannen en aanpassingen doen die in lijn zijn met de historische aanleg.

Groen inventariseren

Een goed beleid op historisch groen begint met een duidelijk beeld van wat er aan groen in een gemeente of natuurgebied aanwezig is. Het gaat niet alleen om inventarisatie van de locatie, maar ook van de aard, ouderdom, onderhoudstoestand en andere kenmerken van dat groen. In de afgelopen jaren voerde RAAP voor verschillende opdrachtgevers inventarisaties van zogenaamd structuurgroen uit. Lanen, bosjes, houtsingels, houtwallen, kortom alles wat het niveau van individuele bomen of kleine boomgroepen overstijgt, werd geïnventariseerd. Voor de Achterhoekse gemeenten Winterswijk en Berkelland leidde dat tot zeer gedetailleerde kaarten van het opgaand groen. Luuk Keunen, senior projectleider cultuurhistorie: “Naast een gedetailleerde groenkaart hebben we ook nauwkeurig aangegeven welk groen je als ‘historisch’ kunt aanmerken. Om een voorbeeld te geven: sommige lanen bestaan wellicht uit jonge bomen, maar zijn als structuur wél heel oud. Dat besef is van belang bij het voeren van cultuurhistorisch beleid.”

Voordelen van samenwerking

Al bij eerdere cultuurhistorische analyses maakte RAAP 

dankbaar gebruik van onderzoek van Stichting Landschaps-

beheer Gelderland (SLG). Met hun groeninformatie waren de cultuurhistorische waardenkaarten van Wageningen en Voorst efficiënt te vullen. Luuk Keunen: “Samenwerking is vaak de kracht van onze projecten. Zo werkten we met SLG samen voor onder meer de Appense Dijk bij Voorst. Op het vlak van groeninventarisaties zagen we dat dat tot mooie, innovatieve en nieuwe producten kan leiden. Die benadering sloot bovendien perfect aan bij de manier waarop wij cultuurhistorie aanvliegen: vanuit het landschap. We bundelen onze landschappelijke kennis met hun ervaring met groenopstanden.” André Kaper van SLG sluit zich hierbij aan: “Onze aanpak vult die van RAAP naadloos aan, vooral op het gebied van het opnemen van informatie uit veldwerk. Voor ons landelijk Meetnet Agrarisch Cultuurlandschap inventariseren we met een vaste vrijwilligerspool, steekproefsgewijs in representatieve gebiedjes. In het verleden hebben we met vrijwilligers het buitengebied in Wageningen, Oude IJsselstreek en Voorst integraal geïnventariseerd. Samenwerken met betrokken vrijwilligers vanwege de Omgevingswet, landschapsontwikkelingsplannen of erfgoedbeleid is dan niet alleen efficiënt. Het versterkt ook het erfgoed- of landschapsbeleid en de uitvoering daarvan in een gemeente. Samen staan we sterker. Door input van onderaf te organiseren voor landschappelijk erfgoed of biodiversiteit en door gezamenlijk lokale initiatieven te helpen uitvoeren. Tegelijk is met begeleiding door professionals de kwaliteit gegarandeerd.“

Verweving

Mede door de ontwikkeling van de Omgevingswet worden allerlei erfgoeddisciplines steeds meer met elkaar verweven. RAAP heeft een voortrekkersrol op dit gebied. Bijvoorbeeld door archeologische waarden- en verwachtingskaarten te ‘voeden’ met informatie uit cultuurhistorische waardenkaarten. Het gaat daarbij om aspecten met een archeologische relevantie, zoals boerderijlocaties. Voor cultuurhistorie en natuur & landschap streeft RAAP naar een soortgelijke verweving. Luuk Keunen: “Het landschap en de natuur zijn door cultuurhistorische processen tot stand gekomen. Het zou raar zijn als we die disciplines niet in onderlinge samenhang zouden bekijken. Met SLG, en wat ons betreft ook graag met andere landschapsbeheerders, benaderen we het opgaand groen juist vanuit die invalshoek, met de floristische waarden die er ook bij horen.”


Senior projectleider RAAP:

Luuk Keunen T 0575-567876 | E l.keunen@raap.nl 

Deel dit bericht

Landschap in beweging 

Gerimpeld en doorleefd

De rijke verscheidenheid van ons landschap is ontstaan door de wisselwerking tussen geologische processen, ecologische ontwikkeling én de invloed van duizenden jaren menselijke bemoeienis. Vroeger waren mensen volkomen afhankelijk van de mogelijkheden die het landschap en de natuur boden. Maar ook nu nog wordt de inrichting in grote mate bepaald door het landschap. Deze lange verbondenheid met de natuur heeft een rijk, zeldzaam en waardevol cultuurlandschap opgeleverd met een - op veel plaatsen - sterk historisch karakter. Mensen hechten betekenis aan dit landschap. Ze zien er de sporen in uitgedrukt van hun cultuur, geschiedenis en inventiviteit.

Bodems als archief

Veel van de resten van onze cultuurgeschiedenis zijn bewaard gebleven in het landschap en in de bodem. Sommige van die restanten zijn met het blote oog te zien, zoals de kopjes van oude duinen in de kleipolders, kreekruggen met terpen midden in het veen, grafheuvels en hunebedden. Het meeste is echter onzichtbaar geraakt door opslibbing van land met klei, veen en stuifzand. Die restanten liggen verborgen in de bodem, variërend van kleine concentraties vuurstenen werktuigjes tot complete fortificaties. De bodem wordt daarom ook wel als ‘bodemarchief’ aangeduid: een vele meters dikke laag klei, zand en veen waarin de ontstaansgeschiedenis van het land en de mensen die er woonden is vastgelegd. 

Een deel van de rivierafzettingen uit de eerste eeuw voor Chr. langs de Nieuwe Bemmelsedijk bij Lent. De scheve lagen in het zand liggen nu ruim 9 meter onder het maaiveld en verraden de stromingsrichting en stroomsnelheid van de rivier.

Veelwaardig landschap

Voor het bodemarchief geldt het principe ‘weg-is-weg’. Het is onvervangbaar en kan na verstoring niet meer worden hersteld. Vandaar het uitgangspunt voor beleid om te streven naar beheer en behoud van in de bodem aanwezige cultuurresten, om te voorkomen dat unieke en onvervangbare informatie over het verleden verloren gaat. Behoedzaam met onze bodems omgaan, vraagt op de eerste plaats om bewustwording over dit stukje ondergrondse geschiedenis. Om dit onzichtbare landschap voor het voetlicht te brengen en maatschappelijk draagvlak voor een zorgvuldige omgang te creëren, is specialistische kennis nodig. Het in kaart brengen, ontrafelen en waarderen van het bodemarchief is bij RAAP teamwerk, waarbij zowel aardwetenschappers als archeologen en (paleo)ecologen zijn betrokken. Hun onderzoek legt de verborgen geschiedenis van het landschap bloot.


Landschapsdynamiek in beeld

In Nijmegen-Lent werkte een team van RAAP mee aan het project Ruimte voor de Waal. Een van de ingrepen was het bekleden van de onderkant van de nieuwe rivierdijk aan Lentse zijde met gevlochten rijshout en stenen. Daarvoor werd een enorme werkstraat van 10 meter diep en honderden meters lang droog gepompt. Als bijvangst ontstond tegenover het te bestenen dijktalud een lange profielwand met daarin de geulafzettingen van de voorlopers van de Waal. 

Tijdens de geologische begeleiding van het project werden daarin aardewerkscherven, metalen objecten en constructiehout uit de eerste eeuw van onze jaartelling gevonden. Het ging om verspoeld materiaal dat zeer waarschijnlijk afkomstig is van een weggespoeld deel van de Bataafse riviernederzetting ‘Oppidum Batavorum’. Toen de Romeinse legioenen zich rond 19 voor Chr. voor het eerst in Nederland vestigden, stroomde de Rijn vlak langs de heuvelvoet richting Lent. Dat was een belangrijk nieuw element in onze verhalen over Romeins Nijmegen. Vóór deze ontdekking is namelijk altijd aangenomen dat de Romeinse rivier min of meer dezelfde loop volgde als de huidige Waal en dus vrijwel geheel was verdwenen. Nu de Romeinse Waal is teruggevonden, werpt dat een heel ander licht op de riviervlakte. Zo blijkt dat de Rijn bij Nijmegen in de ijzertijd en Romeinse tijd een energiek meanderende rivier was, waarvan de bochten zich elk jaar enkele meters verplaatsten. Het moet de Romeinse ingenieurs die zich bezighielden met het openhouden van havens en het onderhouden van bruggen en oversteekplaatsen de nodige kopzorgen hebben bezorgd.


Senior projectleider RAAP:

Nico Willemse T 0575-567876 | E n.willemse@raap.nl

Gereconstrueerde nieuwe loop van de Rijn in de vroeg-Romeinse periode ter hoogte van Nijmegen
op basis van geologisch onderzoek (naar: ULPIA tekstproducties).

 “Onze geschiedenis ligt letterlijk bewaard onder onze voeten. Lang niet iedereen is zich daarvan bewust. Draagvlak voor een voorzichtige omgang met dit bodemarchief vraagt daarom om aansprekende verhalen over de bewoningsgeschiedenis en wat daarvan in het landschap is achtergebleven.”

Deel dit bericht

KORTE
berichten

De sporen van een goudschat

COLUMN

Kort geleden reed ik door Serooskerke waar mijn oog viel op de sloop van de oude rijhal van manege De Gouwe Reijers. Ik ben gestopt en heb hiervan een foto gemaakt in een vaag bewustzijn dat hiermee het fysieke spoor van een verhaal verdwijnt. En iets dat ook persoonlijk dicht bij me ligt, al is het maar omdat mijn vader later pal naast de plek woonde waar in 1966 de grootste goudschat van de eeuw werd gevonden. Bij het rooien van een preiveldje kwamen 1023 gouden munten tevoorschijn. Naar later bleek waren er al eerder munten aangetroffen en achterovergedrukt. En na de vondst, die bijzonder veel aandacht trok, kocht iemand de grond en ging alles nog maar eens zeven. Met een zuur gezicht meldde deze man dat hij slechts drie munten had gevonden. In sociaal opzicht was de vondst van de schat een ramp. Jaloersheid bleef lang nasudderen, zeker nadat in 1979 een tweede (zilver)schat werd gevonden, je verzint het niet. Uiteindelijk eindigde de teller op 1158 gouden munten waaronder een valse. 

De schat heeft destijds (de laatste munt, de zogenaamde ‘sluitmunt’, dateerde uit 1622) een enorme waarde gehad. Hoe dit voor die tijd gigantische vermogen in een preiveldje in Serooskerke eindigde, is een vraag die kort geleden een nieuwe dimensie kreeg.


In 1623 zeilde de tot moslim bekeerde kaper Jan Janszoon van Haarlem de haven van Veere binnen, een paar kilometer van Serooskerke. Murat Reis, admiraal van Salé, was zijn nieuwe naam. Gelukszoekers trokken naar Veere om bij zijn vloot aan te monsteren. Uiteindelijk vertrok hij weer naar Marokko en stierf als een vermogend man. Nu wil het geval dat drie gouden munten van de schat uit Marokko komen, dus… Dus het is een romantisch verhaal dat goed past bij wat de schat van Serooskerke is: de natte droom van een archeoloog.

De munten werden grotendeels geveild en de verzameling viel uiteen. De vinders streken de winst op. Eén van hen bouwde een manege die door hem ‘De Gouwe Reijers’ werd genoemd. Een gouden rijder is een oud munttype, rijkelijk vertegenwoordigd in de schat. Voor mij was die manege een ijkpunt van een archeologisch verhaal, het maakte er deel van uit - en kreeg daardoor waarde. En daarom is het jammer dat de rijhal gesloopt werd. Gelukkig deelde ook de gemeente Serooskerke in de opbrengst van de goudschat. Met die opbrengst werd een publiek zwembad gebouwd, en dat bestaat nog steeds. De naam: De Goudvijver. Wel alleen een buitenbad.


Ivar Schute

senior projectleider RAAP

Schuur Serooskerke

Zwinstreek Zonder Grenzen


Dat RAAP grensoverschrijdend werkt is natuurlijk geen nieuws. RAAP België timmert al langere tijd aan de weg en werkt sinds kort aan een bijzonder project in de Zwinstreek. RAAP-zaakvoerder Caroline Ryssaert en Nathalie de Visser van bureau Edufact zijn de Erfgoedcoördinatoren van ‘Zwinstreek Zonder Grenzen’: een project dat nieuw leven blaast in samenwerking op het gebied van cultureel erfgoed over de grenzen heen, specifiek in de Zwinregio.

De Zwinstreek bestaat uit vijf gemeenten: Knokke-Heist, Damme, Sint-Laureins en Maldegem in Vlaanderen en Sluis in Nederland. Het is een landschap van polders aan de kust en dekzand met cuesta’s in het achterland. De naam ‘Zwin’ komt van het middeleeuwse ‘Sincfal’, de zeearm die in de middeleeuwen tot aan Brugge bestond. De Universiteit Gent voert momenteel een groot archeologisch en landschappelijke onderzoek uit naar de verdwenen middeleeuwse havens langs dit voormalige Zwin. Het project van de samenwerkende partners RAAKVLAK, Provincie West-Vlaanderen en Erfgoed Zeeland startte op 1 september 2018 met subsidie van Euregio Scheldemond.


Project ‘Zwinstreek Zonder Grenzen’ omvat vijf concrete acties die binnen een jaar gerealiseerd moeten zijn. Het is de bedoeling een duurzaam, grensoverschrijdend netwerk voor erfgoed (zowel archeologie, cultuurhistorie als landschap) te realiseren en verschillende actoren samen te brengen. Toekomstige partners kunnen elkaar dan snel vinden en samen projecten uitvoeren om de Zwinregio beter te ontsluiten. Het eindrapport zal de basis zijn voor een publieksvriendelijke ontsluiting en verdere vermarkting en toeristisch-recreatieve ontwikkeling van het gebied.

Week van de Zwinstreek:

Sinds 2017 wordt in september de Week van de Zwinstreek georganiseerd om publiek te laten genieten van alle natuur- en streekgebonden producten in de regio. De eerste en tweede editie waren vooral gericht op natuurbeleving. Van 21 t/m 29 september 2019 staan diverse erfgoedactiviteiten op de agenda. Naast een dialectenavond, molenroute en oldtimerroute langs erfgoedsites is er ook aandacht voor archeologie van de Zwinstreek.


Populairwetenschappelijk Zwincongres:

Ter afsluiting van de Week van de Zwinstreek en als opbouw naar het Zwincongres in september 2019 zijn er diverse inspiratiedagen. Onder meer een gebiedssessie rond verhaallijnen in de Zwinstreek en een dag rondom het Project gastheerschapnetwerk. Het doel van deze dagen is samen te werken, om zo de kenniswinst over de Zwinstreek te behouden. Deze zal zijn weerslag krijgen in de Erfgoeddatabank.

Erfgoeddatabank:

Een omvangrijke opdracht is het maken van een databank met open data module van historische en landschappelijk waardevolle erfgoedelementen. Deze kan dienen als ‘historisch-landschappelijke onderlegger’ voor alle toekomstige erfgoedacties en toeristische ontsluiting. De kaartondergrond wordt een combinatie van het AHN en DHM en de inhoudelijke kennis wordt gedeeld via Wikipedia. De erfgoedcoördinatoren zijn begonnen met een inventarisatie van dijken. Deze worden gekoppeld aan polders en later uitgebouwd met andere bekende erfgoedsporen. Jong en oud: iedereen kan hieraan meedoen. 

3D-visualisatie Zwinhavens:

Het onderzoek van de Universiteit Gent heeft al veel informatie opgeleverd over de verdwenen middeleeuwse Zwinhavenstadjes Monnikerede (B), Hoeke (B) en Sint-Anna ter Muiden (NL). Een high-tech vertaling van deze resultaten naar een 3D-ervaring maakt het aantrekkelijk voor het publiek. Daarom heeft RAAP zich samen met de betrokken partners verdiept in het laten omzetten van de informatie in een Virtual Reality of Augmented Reality ervaring.


Zaakvoerder RAAP België: Caroline Ryssaert

T 0032 (0)498-441699 | E c.ryssaert@raap.be

Webkaart: interactie met erfgoed

Voor wie meer draagvlak wil voor cultureel erfgoed is het belangrijk de informatie daarover te delen. Dat geldt zowel binnen de eigen organisatie als met het publiek. Delen kan heel handig met een webkaart waarmee cultuurhistorische informatie online staat en door iedereen interactief te raadplegen is.

De gemeente Gouda heeft haar digitale Cultuurhistorische Basiskaart onlangs als interactieve webkaart toegankelijk gemaakt. De online kaart toont het erfgoed in ruimtelijke samenhang, en via thema’s is de ontstaansgeschiedenis van de stad in beeld gebracht. Bezoekers kunnen zelf kaartlagen kiezen, combineren en in- en uitzoomen. Zo krijgen ze een beter begrip van de historische en huidige stad, en mogelijk inspiratie en aanknopingspunten voor toekomstige plannen. Aan de Cultuurhistorische Basiskaart Gouda is meegewerkt door MAB, Els Bet Stedebouwkundige, Van Meijel Adviseurs in Cultuurhistorie en RAAP. De kaart is opgebouwd als een Geo Informatie Systeem (GIS) en te bekijken via een kaartviewer (zie knop onder)

Een webkaart is bij uitstek geschikt voor gemeenten, waterschappen en landschapsbeheerders die hun digitale erfgoedinformatie laagdrempelig willen delen met een breed publiek. Bijvoorbeeld de presentatie van een cultuurhistorische of archeologische waardenkaart, een landschapsbiografie of een monumentenregister. RAAP kan de data en de functionaliteit van de webviewer hosten, maar ook - zoals voor Gouda - de data ontsluiten voor intern gebruik.



GIS/CAD specialist RAAP:

Tom Vanzieleghem

T 0575-567876 | E t.vanzieleghem@raap.nl

COLOFON

RAAP Magazine 2019-1, juni 2019 Een uitgave van RAAP: onderzoeks- en adviesbureau voor archeologie, cultuurhistorie en erfgoedzorg.

Aan dit nummer werkten mee: Danny Keijers, Luuk Keunen, Jan Roymans, Caroline Ryssaert, Ivar Schute, Bjorn van Snippenburg, Jasper Tuinstra, Tom Vanzieleghem, Steven van der Veen, Marten Verbruggen, Nathalie de Visser, Willemien van de Wijdeven en Nico Willemse. Fotografie en cartografie: RAAP (tenzij anders vermeld). Vormgeving: Olav Odé.
Redactie: Caroline Hom

MAGAZINE PER POST

Aanmelden of afmelden voor RAAP-magazine, of liever een digitaal abonnement of pdf ontvangen? Stuur een e-mail naar raap@raap.nl 


ADRESGEGEVENS REGIO'S

RAAP Regio Noord-Nederland (Fr, Gr, Dr)
De Kiel 11, 9206 BG Drachten
 T 0512-589140 | E raapnnl@raap.nl

RAAP Regio Oost-Nederland (Gld, Ov)
Pollaan 48 E-F, 7202 BX Zutphen
T 0575-567876 | E raaponl@raap.nl

RAAP Regio Zuid-Nederland (Li, N-Br)
De Savornin Lohmanstraat 11, 6004 AM Weert
T 0495-513555 | E raapznl@raap.nl

RAAP Regio West-Nederland (N-Hl, Z-Hl, Zld, Fl, Ut)
Le Pooleweg 5, 2314 XT Leiden
T 071-5768118 | E raapwnl@raap.nl




HOOFDKANTOOR NL en BE

RAAP Hoofdkantoor
Leeuwenveldseweg 5b, 1382 LV Weesp
T 0294-491500 | E raap@raap.nl

RAAP België
Begoniastraat 13, 9810 Eke, België
T (+32) 0498 441 699 | E raap@raap.be

WWW.RAAP.NL
+
WWW.RAAP.BE