Website Builder

RAAP Magazine
#2017-02

Een nieuwe uitgave van ons digitale magazine, met artikelen over bijzondere opgravingen in Arnhem, een oude wierdijk in Noord-Holland, opzienbare IBA-parkstad projecten rond verdwenen kastelen en heel veel ander lezenswaardigs.

INHOUD

Ondergrondse beek Arnhem

Aanleg Arnhemse stadsbeek brengt archeologie boven water

Bijzonder: Art Nouveau scherven

RAAP-projectleider Twan van Rooij over
een opzienbarende vondst

Samenwerking kloosterterrein Hemelum

Geslaagde samenwerking met amateurarcheologen op kloosterterrein Hemelum

Inkijk in een wierdijk

Buitenkans voor archeologen: onderzoek binnenkant wierdijk in polder Waard-Nieuwland

In de put met Janneke Hielkema

Archeolooog Janneke Hielkema vertelt over de opgraving in de Herestraat in Groningen

Onderzoek Beemster ondermolen

onderzoek naar de resten van de Draaioordermolen in Zuidoost Beemster

Verdwenen kastelen en IBA Parkstad

Opzienbarende IBA Parkstad-projecten rond 
Verdwenen kastelen

Regte Heide als AHN proeftuin

Micorreliëf op de Regte Heide. Cultuurhistorische sporen in  een AHN proeftuin

TIEN vragen over ArbitrArch

Stichting Arbitrarch stelt zich voor

Korte berichten

Van drone tot hutspot

Weeffoutje

Column

Het zit erop. In de eerste helft van dit jaar zijn tientallen archeologische bedrijven gecertificeerd voor allerlei vormen van archeologisch onderzoek. Ook RAAP heeft een kruiwagen met certificaten binnengereden. Zeven stuks om precies te zijn. Ons protocol 4006 - specialistisch onderzoek - stelt ons echter voor een merkwaardig dilemma. Hoewel certificering bedoeld is om de kwaliteit ‘te borgen’, lijkt het juist beter om voor een betere kwaliteit het protocol maar weer in te leveren. Hoe zit dat?

Een archeologische opgraving bestaat in hoofdzaak uit opgraven, uitwerken en rapporteren. Zo staat het ook in het protocol 4004 opgraven. Dit is een zogenaamd verplicht protocol, omdat de Erfgoedwet dit eist voor archeologisch onderzoek waarbij verstoring van de bodem optreedt. Belangrijk is te melden dat de wet wel spreekt over opgraven, waarbij de verrichte handelingen en vondsten worden gedocumenteerd en gerapporteerd, maar niet het analyseren en uitwerken van alles wat bij de opgraving naar boven komt, expliciet noemt. Hierbij valt te denken aan alle vormen van materiaalonderzoek en bioarcheologisch onderzoek van botten, zaden, stuifmeel etc. Beide materiaalgroepen zijn echter cruciaal om het verhaal van het verleden te vertellen. Samengevat: het protocol opgraven benoemt ook het analyseren en uitwerken, maar de Erfgoedwet niet. Bij eenvoudige opgravingen wordt al het materiaal bekeken door ‘gewone’ archeologen. Alles wat zij doen valt daarmee onder het certificaat opgraven. Wanneer het echter om rijke en dus interessante vondstcomplexen gaat, is het gebruikelijk om specialisten in te schakelen. Daar zijn er tientallen van, zoals de fysisch antropoloog, de specialist Romeins glas, leer, hout, visresten noem maar op. RAAP heeft die vanzelfsprekend niet allemaal zelf in dienst, daarom moeten wij regelmatig specialistisch onderzoek uitbesteden. En daar gaat het mis, want wat blijkt? Het specialistisch onderzoek valt onder een apart protocol 4006 om precies te zijn, dus niet onder het protocol opgraven. En protocol 4006 is niet wettelijk verplicht. Vraag mij niet waarom.

Omdat RAAP zich omwille van de kwaliteitsborging ook voor dit protocol heeft laten certificeren, mogen wij het echter alleen aan gecertificeerde specialisten uitbesteden. Als je weet dat de meeste specialisten zzp-ers zijn die vanwege de hoge kosten niet gecertificeerd zijn, dan is het resultaat dat wij vrijwel geen specialistisch onderzoek meer kunnen uitbesteden. En dat allemaal om de kwaliteit te borgen. Had RAAP geen certificaat 4006 verworven, dan hadden wij wel gewoon werk mogen uitbesteden aan diezelfde specialisten. 

Een duivels dilemma, en dat ten gevolge van een klein weeffoutje.

Van ondergrondse naar bovengrondse beek


Door de binnenstad van Arnhem zal eind 2017 weer water kabbelen.
De Sint Jansbeek, die aan het begin 19e eeuw als een stinkend stroompje ondergronds werd gebracht,
wordt een schone bovengrondse beek.
Een mega-verbouwing in de historische kern, waar ook archeologen aan te pas komen.

Met zijn twintigen in een kleine opgravingsput tussen houten schotten: RAAP-projectleider Gerben Zielman heeft nog nooit met zoveel archeologen tegelijk in de put gestaan. Allemaal bezig bij de Arnhemse Eusebiuskerk met het opgraven van skeletten. In februari 2017 begon de archeologische begeleiding van de werkzaamheden vanwege de aanleg van de Sint Jansbeek, in opdracht van de Combinatie Hoornstra Infrabouw-GMB Civiel. Zielman: “De Sint Jansbeek stroomt nu nog onder de grond in een soort overkluisde goot uit de 19e eeuw, maar is straks weer zichtbaar. Daarvoor wordt een circa 700 meter lang tracé uitgegraven, zijn kabels en leidingen verlegd en rioleringen verplaatst. RAAP begeleidt deze graafwerkzaamheden.”


Fris en groen

De nieuwe stadsbeek in Arnhem volgt niet exact het oude middeleeuwse tracé, want dan zouden er huizen moeten worden afgebroken. De open beek die uitkomt in de Rijn zal bestaan uit smalle betonnen bakken, bekleed met baksteen. In warme zomers, als de hitte in de stad blijft hangen, zorgt de Jansbeek voor verkoeling. Verder kan het regenwater beter afgevoerd worden met de beek en ziet de stad er fraaier uit. De gemeente plant er ook nieuwe bomen.

Kaart van de Arnhemse binnenstad met Jansbeek-tracé en artist impression Beekstraat: buro Poelmans Reesink

Ter hoogte van de kruising Nieuwstraat/Broerenstraat zijn 19 skeletten opgegraven en funderingen van het Minderbroedersklooster aangetroffen.

Op verschillende plekken zijn beerputten gevonden. Op de kruising Broerenstraat/Beekstraat, zijn zowel het nieuwe riool, een middeleeuwse beerput gemaakt van een houten ton en een jongere bakstenen put zichtbaar.

Aan de Beekstraat/Sint Catharinaplaats zijn sporen van de oorspronkelijke beek aangetroffen: resten van de overkluisde beek.

700

meter lang tracé

700

skeletten

1

dag werk per skelet



Honderden skeletten

Afgelopen zomer kregen de archeologen hulp van vele vrijwilligers. Sinds september doet RAAP het onderzoek voornamelijk met drie eigen teams op verschillende locaties. Vanwege het werken in licht vervuilde grond dragen ze speciale overalls. De archeologen in witte overalls, gemaakt van een speciale stof, verzamelen DNA-monsters bij de skeletten om het geslacht en mogelijke verwantschappen te bepalen. Het lijkt wel een CSI-team dat forensisch onderzoek doet. Gerben Zielman: “Er is ook continu veel belangstelling van het publiek. In mei konden geïnteresseerden tijdens de Dag van de Bouw in de bouwputten kijken. Toen hadden we nog maar één skelet ontdekt. Een maand of vier verder waren dat er al ruim 600.”

Het onderzoek leverde resten op van de oude beek met houten beschoeiingen en van de stedelijke bebouwing, zoals bakstenen funderingen en beerputten. Verder zijn ook stukken van de middeleeuwse stadsmuur en de 17e-eeuwse vestingmuur gevonden. Het meeste werk hebben de archeologen aan het opgraven van skeletten.

Negentien skeletten zijn opgegraven aan de Nieuwstraat, waar ook resten van het Minderbroedersklooster zijn aangetroffen. Ze lagen op een aparte begraafplaats bij het klooster. Het kunnen graven van monniken zijn geweest, maar ook van burgers. Het klooster was tot de Reformatie (1578) in gebruik. De kloosterkerk, later Broerenkerk genoemd, is in 1805 gesloopt en op de plek van het bijbehorende kerkhof stonden toen al woningen. De bakstenen funderingen van deze kerk zijn tijdens de archeologische begeleiding aangetroffen.

Bij de Eusebiuskerk zijn meer dan 700 skeletten opgegraven. Ze worden onderzocht in het archeologisch depot van de gemeente en uiteindelijk herbegraven in of bij de kerk. De mensen op de foto met een wit pak aan nemen monsters voor DNA- en isotopenonderzoek.

Bij de Eusebiuskerk zijn ruim 700 skeletten opgegraven. Zielman: “Geen echte verrassing, want hier lag de voormalige begraafplaats die vanaf de 15e tot begin 19e eeuw in gebruik was. Maar je weet tevoren nooit precies wat je zal aantreffen.” De houten kisten waarin de overledenen waren begraven, zijn vergaan. Wat rest, zijn de botten en schedels in lagen boven elkaar die, naar Christelijk gebruik, met het gezicht naar het oosten zijn gericht. Het opgraven van de skeletten is een tijdrovend karwei. “Aan één skelet heeft een archeoloog een dag werk met het blootleggen van de botten, monsters nemen voor DNA- en Isotopenonderzoek, fotograferen, documentatie en inmeten.”


Sommige botten illustreren de voorkomende ziekten, zoals de Engelse ziekte die voor O-benen zorgt. Verder zijn er botten met beenbreuken gevonden en van een individu met dwerggroei. Opmerkelijk is een skelet van iemand die op zijn buik lag. Waarom is onduidelijk. Het is een ongebruikelijke manier van begraven, maar misschien is de kist wel omgevallen. Tot de bijzondere grafvondsten hoort een prachtig kettinkje met gele en rode kralen dat bij het skelet van een peuter lag. Een nogal lugubere vondst is een schedeldak met zaagsporen. Mogelijk was dat het werk van een arts of lijkschouwer die autopsie deed. Het schedeldak lag in een knekelkuil en was dus niet begraven in een graf.

Ellendigen

De manier van begraven is sober. Er zijn wat naalden en spelden gevonden, mogelijk van lijkwaden waarin de overledenen waren begraven. Verder is een aantal gespen en knopen en een vingerring opgegraven. Het is duidelijk dat hier niet allerlei rijkelui lagen, die werden binnen de kerk begraven. Het deel van het kerkhof bij de Eusebiuskerk dat wordt opgegraven, ligt aan de noordkant en de hele dag in de schaduw. Deze zijde wordt wel de kant van de armen of ellendigen genoemd. Zielman: “Een andere aanwijzing dat we met arme mensen te maken hebben, zijn de armenpenningen die we vinden. Kleine muntjes die door het stadsbestuur of de kerk werden uitgedeeld aan armen om brood mee te kopen.”


Het veldwerk loopt door tot het najaar. Eind 2017 zal het water door de binnenstad gaan stromen en ook de uitwerking van het archeologisch onderzoek starten.


Projectleider RAAP:
Gerben Zielman T 0575-567876 | E g.zielman@raap.nl

Deel dit bericht

VONDST#
De Art Nouveau scherven van Twan


Wie onderzoek doet, die kan wat vinden:
RAAP-projectleider Twan van Rooij over een opzienbarende vondst.


Wat is het?
Het zijn duizenden scherven van mogelijk honderden biscuit-modellen van Art Nouveau keramiek van de Plateelfabriek Holland (1884-1905). 34 zakken vol fraaie fragmenten van modellen, hun hele collectie is erin vertegenwoordigd.

Waar en wanneer is het gevonden? In september 2017 in Utrecht tijdens een archeologische begeleiding op een terrein dat langs de Vaartse Rijn
wordt ontwikkeld. 


Hoe zeldzaam is de vondst?
 Heel zeldzaam. Van de collectie Holland is dit materiaal in Nederland niet bekend en al helemaal niet uit een archeologische context. Er zijn heel veel geglazuurde en inmiddels onbetaalbare voorwerpen van dit soort keramiek bekend uit verzamelingen over de hele wereld, maar deze uitgebreide collectie voorbeelden, die een inkijk geeft in de keuken van de ontwerpers en kunstenaars van plateelbakkerij Holland, is uniek. Soms zitten er vier verschillende soorten van versiering op één model als voorbeeld voor de plateelschilders.


Wat ging er door je heen toen je het voor het eerst zag?
  In eerste instantie zag ik een onooglijke kuil met klei en rommel, maar ik ging toch even verder kijken en zag toen aardewerk tevoorschijn komen. Hoewel we op het terrein van de voormalige Faience en Tegelfabriek Westraven bezig waren, had ik daar afgezien van veel tegels nog geen enkel potterie-fragment aangetroffen. Toen ik wat scherven schoonmaakte, zag ik iets heel anders dan wat ze bij Westraven produceerden, en begreep ik dat we iets bijzonders te pakken hadden. Daarna herkende de schrijver van een boek over de fabriek Westraven het materiaal als eerste als Art Nouveau van een Plateelfabriek van 150 meter verderop!

Wat maakt deze vondst voor jou bijzonder? Het is een vondst die helemaal bij mij als kunstliefhebber past. Ik heb het zelf gevonden en wat begon als een lelijke kuil eindigt met prachtig materiaal.
Archeologie en kunst komen bij elkaar.
Wat wil je nog meer?

Deel dit bericht

Geslaagde samenwerking
op kloosterterrein Hemelum 

Je hebt enthousiaste vrijwilligers, maar sommigen leggen er nog een schepje bovenop. In het Friese Hemelum bijvoorbeeld, waar afgelopen zomer werd opgegraven op een voormalig kloosterterrein. Voor de bevlogen vrijwilligers en de archeologen van RAAP een geslaagde samenwerking. 

In Hemelum is een nieuwe rondweg gepland die over de zuidelijke helft van een middeleeuws kloosterterrein loopt. In 2016 was daar al onderzoek gedaan. Bij het vernieuwen van de vloer van de kerk van Hemelum, waren aan de noordzijde van het kloosterterrein de resten van een kapel gevonden die bij het klooster hoorde. Er volgde een archeologisch proefsleuvenonderzoek waarbij grote kuilen werden ontdekt, mogelijk leemwinningskuilen gebruikt voor het produceren van bakstenen, evenals paalsporen en greppels. Genoeg redenen voor de gemeente Súdwest-Fryslân om een opgraving uit te laten voeren. In juli 2017 startte RAAP met de graafwerkzaamheden.


Het Sint Nicolaasklooster
Het Benedictijner Sint Nicolaasklooster van Hemelum is vermoedelijk eind 12e eeuw gesticht vanuit het Sint Odulfusklooster in Stavoren. Aanvankelijk was het een nonnenklooster. Toen het monnikenklooster van Stavoren in de 15e eeuw echter werd verzwolgen door het Zuiderzeewater, werd dit in 1495 definitief verplaatst naar Hemelum. Het klooster kende roerige tijden, zoals de twisten die de Schieringers en Vetkopers er in de 15e eeuw uitvochten. Dit leidde tot de verwoesting van ‘De Spieker’, een verdedigbaar gebouw voor graanopslag en eigendom van het klooster. Van het klooster zijn geen tekeningen of kaarten bewaard gebleven. Tot aan de reformatie bleef het klooster bestaan. Daarna werd het afgebroken ook al zullen de resten nog een tijd aan het maaiveld zichtbaar zijn geweest. De kaart van Schotanus uit 1718 toont bij de kerk van Hemelum ‘de abdije’ en ook op de kaart van Eekhoff uit 1849-1859 staat de ‘voormalige abdij’. Rond 1868 liet een grootgrondbezitter uit de streek, Jonkheer Gerard van Swinderen, het kloosterterrein afgraven. De grond diende ter verbetering van het land van twee andere boerderijen. 

Versterkt klooster

De opgraving leverde geen funderingen of uitbraaksleuven van kloostergebouwen op. Wel veel brokken van kloostermoppen, stukken leistenen dakbedekking en fragmenten beschilderd glas: allemaal resten van het afgebroken klooster. Ook de grenzen van het kloosterterrein kwamen in beeld. Het klooster bleek beschermd door tien meter brede grachten aan de oost- en westzijde en een bundel ondiepe sloten aan de zuidzijde. Binnen de omgrachting kwamen veel middeleeuwse resten aan het licht. Bijvoorbeeld de paalsporen van een grote boerderij van 30x10 meter en een ronde roedenberg, voor de opslag van hooi of graan. De boerderij was vermoedelijk de kloosterboerderij waar de oogst opgeslagen lag en het vee van de monniken gestald werd. In drie paalsporen zaten de onderste delen van forse, vierkante houten palen: de gebinten van de boerderij. De roedenberg bestond uit 12 paalsporen in een cirkel van bijna tien meter doorsnede. Bij de boerderij lagen vijf waterputten, waarvan twee met houten tonnen als beschoeiing. Een ronde bakstenen structuur, in eerste instantie gezien als waterput, bleek een vloer van kloostermoppen te hebben. Mogelijk was deze bak een waterreservoir. 

Gouden schilden

De opgegraven vondsten dateren voornamelijk uit de 12e-15e eeuw: vooral scherven van lokaal kogelpotaardewerk en bakpannen en ook Duits steengoed, zoals kruiken en een bijna complete drinkbeker. Een ondiepe kuil bleek een vrijwel compleet paardenskelet, inclusief hoefijzers te bevatten. Topvondst waren twee gouden munten, zogenoemde ‘gouden schilden’, geslagen onder Philips VI van Frankrijk (1328-1350). De voorzijde van de munt toont de zittende gekroonde vorst, met in zijn rechterhand een zwaard en in zijn linkerhand het Franse wapenschild met lelies. De vorstennaam en titel staan op het omschrift. Op de keerzijde staat een gebloemd kruis binnen een vierpas, versierd met bladeren, met als omschrift: XPC (Christus) VINCIT, XPC REGNAT, XPC IMPERAT. Dit was het oudste goudstuk dat in grote aantallen in de Nederlanden circuleerde. Andere metaalvondsten waren een tinnen schildje met de Franse lelie uit de 15e eeuw, delen van een boekbeslag, een koperen kruisje en enkele musketkogels.  

De archeologen van RAAP groeven een terrein van ongeveer 6000 m2 op en kregen hulp van drie amateurarcheologen: Auke Bult, die al eerder assisteerde bij booronderzoek op het terrein en werkzaamheden in de kerk van Hemelum, Riekele Stobbe en de Groningse metaaldetectorspecialist Harm Homan. 

Riekele Stobbe (65) uit Warns was als jong jongetje al geïnteresseerd in geschiedenis en ging regelmatig met zijn oom mee het veld in. Hij is van oorsprong Noord-Hollander, werd sociaal werker, woonde een tijd in Frankrijk en pakte zijn hobby weer op toen hij bij terugkomst in Friesland ging wonen.

“Twee jaar terug heb ik een boek uitgegeven over mijn woonplaats Warns en de stinsen. Ik wilde meer weten van de omgeving, een heel interessant landschap door de overstromingen van de Zuiderzee. Iemand van RAAP, die ook in Warns woont, las dat boek en op de gemeentelijke groentetuin spraken we elkaar, en zo kwam ik in Hemelum terecht. Nu ben ik met boerderijonderzoek in Warns bezig, samen met dendroloog Paul Borghart, en dat boek wordt eveneens uitgegeven. Ik werk ook met de Fryske Akademie en de Universiteit Groningen. Als je eenmaal iets publiceert, rolt daar vaak weer wat uit. Mensen komen vanzelf naar je toe. Ik vind het leuk als mensen door die publicaties ook enthousiast worden. In Hemelum kreeg ik de kans om mijn hobby op te pakken. Alles aan de opgraving vond ik leuk. De archeologen waren zeer bereidwillig, we werden collega’s, er was een ontspannen sfeer en we kregen alle ruimte. Ik heb er een positief gevoel over. 

Hemelum is een bijzondere plek met wel vier stinsen, het klooster, de verhalen van vetkopers, noem maar op. Nu kreeg ik de kans om daar te kijken. Wel jammer dat het in kort tijdsbestek moest. Met meer tijd hadden we meer kunnen opgraven. Maar je hebt nu eenmaal een bepaald budget. Ik ben trouwens nog even terug geweest op het kantoor van RAAP om het hout te bekijken. Ik denk dat er mogelijk een haven in de omgeving heeft gelegen, want de zee lag daar, er is zeeklei gevonden, je hebt de zeearm waar het klooster lag en we hadden ook een kabeljauw opgegraven. En ja, ook daar heb ik net een rapport over geschreven.”

Harm Homan (49) uit Rottum is vanaf 2009 betrokken bij opgravingen in Groningen. Via de stichting Monument en Materiaal, waar hij als vrijwilliger vondstverwerking en restauratie timmerman werkt, maakte hij de overstap naar de archeologie en raakte hij thuis in metaaldetectie.

“Als er qua metaal iets wordt verwacht, word ik vaak gevraagd. Zo ben ik bij RAAP terechtgekomen. Maar ik werk ook voor anderen en ik geef in het veld metaaldetectie-les aan eerstejaars studenten van de Rijksuniversiteit Groningen. Ik vind het leuk om als semi-professional bezig te zijn. Het is een uitdaging om mensen niet voor de voeten te lopen en tegelijk zoveel mogelijk proberen te vinden. Ik doe vooral metaaldetectie, maar zet bijvoorbeeld ook coupes, help mee met schaven, meten, etc. Metaaldetectie is een hobby waar ik gemiddeld zo’n 20 uur per week mee bezig ben. Soms ben ik wel periodes fulltime aanwezig zoals in Hemelum. Mijn mooiste vondst was daar onmiskenbaar het paar gouden schilden. Je kunt aan het geluid van de metaaldetector niet horen wat er in de grond zit. Het is altijd een verrassing wat er komt. Omdat de hele vondstlaag in het gebied eind 19e eeuw was verwijderd, waren mijn verwachtingen niet hooggespannen. 

Ik zag iets glimmen, ondiep, net onder de bouwvoor. Dan kan het gewoon recent blik zijn, maar ik hoopte op goud, en dat was het ook. Bij het schoonmaken bleken het twee in elkaar geschoven gouden munten te zijn. Ik zag meteen dat het hoogwaardige munten waren want ik had ze al eens eerder gezien in boeken.


Behoefte om beroepsarcheoloog te worden heb ik niet. Als kind was ik lid van de NJBG en nu ben ik er hobbymatig mee bezig, dat is mooi. Ik heb nog wel een wens. Ik zou weleens op een interessante vroegmiddeleeuwse opgraving willen werken. Zoiets komt hier weinig voor, eerder wel in Harlingen maar daar kon ik net aan meedoen omdat ik mijn VCA niet had. Dat heb ik inmiddels gehaald, dus ik kan zo beginnen.”

Auke Bult (62) uit Molkwerum heeft twee grote passies: sport, met name hardlopen, en archeologie. Sinds 1993 is hij vrijwillig archeoloog bij het Argeologysk Wurkferbân van de Fryske Akademy. De afgelopen jaren deed hij verschillende waarnemingen in zijn omgeving, waarover hij lezingen houdt en publiceert.

“Van jongs af aan heb ik interesse gehad in geschiedenis. In de jaren 80 werd dat aangewakkerd door vondsten uit het verleden en in eerste instantie vooral uit mijn woonplaats Molkwerum. Dat is een dorp met een rijke geschiedenis. Het materiaal dat er gevonden is, voornamelijk 16e- en 17e-eeuws, gaf inzicht in die geschiedenis. En het één, geschiedenis, kan niet zonder het andere, archeologie. Mijn omgeving heeft in de loop der jaren een steeds grotere plaats ingenomen. Ik begon me te interesseren voor het dorp Warns, waar ik tijdens opgravingen in 1999 een totaalbeeld kreeg van het 17e-eeuwse huismateriaal. De laatste decennia kwam daar Stavoren bij, en daarmee komt ook Hemelum in beeld, met name de kloostergeschiedenis. Het terrein waar het klooster Hemelum op stond was me wel bekend. In 2002 kreeg ik de mogelijkheid om daar op beperkte schaal een verkenning te doen. Afgelopen winter werd in de kerk van Hemelum de vloer verwijderd en kwamen onder andere muurrestanten van de laatste kloosterkapel van rond 1500 tevoorschijn. 

Al mijn bevindingen speel ik door, meestal in een verslag aan de gemeente of provincie. Voor de opgraving van RAAP werd ik gevraagd en het was een prachtige gelegenheid om mee te helpen. Ik kon mijn informatie over de kloostergeschiedenis delen met het opgravingsteam. In de weken op de opgraving kwam de geschiedenis voor mij tot leven, het werd zogezegd tastbaar. Voor mezelf heb ik een dagboek bijgehouden en dat ga ik in een verhaal of verslag uitwerken. Het hoofdthema is dit onderzoek gecombineerd met mijn archeologische en historische bevindingen in de afgelopen decennia die enigszins een raakvlak met de opgraving hebben. Deze opgraving was voor mij een hele bijzondere én plezierige periode.” 


Projectleider RAAP

Janneke Hielkema T 0512-589140  | E j.hielkema@raap.nl

Deel dit bericht

Inkijk in een wierdijk


Verbetering van de waterhuishouding betekent soms dat een dijk doorsneden moet worden.
Dat gebeurde in de Noord-Hollandse polder Waard-Nieuwland en het was tegelijkertijd
 een buitenkans om een unieke wierdijk van binnen te bekijken.

Het 3 meter hoge dijkprofiel tijdens de archeologische begeleiding. Linksonder (blauwe lijn) het oudste pakket van de dijk, opgebouwd uit kleiplaggen. Daarbovenop meerdere lagen klei, met daarin het wierpakket (gele lijn). Houten palen zijn niet gevonden.

In de polder Waard-Nieuwland in de gemeente Hollands Kroon werkt het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier aan de verbetering van het watersysteem. Ze voeren de aanpassingen gefaseerd uit. Omdat er mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden, doet RAAP er archeologisch onderzoek. Tussen 2013-2016 is voor fase 1 een bureau- en booronderzoek gevolgd door archeologische begeleiding uitgevoerd. Dit jaar zijn de archeologen gestart met onderzoek voor fase 2 in een ander deel van de polder.


Wierdijk in Waard-Nieuwland

Polder Waard-Nieuwland ligt ten zuiden van het voormalige eiland Wieringen, een bijzondere landschappelijke locatie waarvan de vorming teruggaat tot de voorlaatste ijstijd (circa 180.000-130.000 jaar geleden). De zandige ondergrond van Wieringen werd toen door het landijs opgestuwd waardoor er heuvelruggen ontstonden. Door deze ‘stuwwallen’ is Wieringen samen met Texel en het Gooi de oudste landschappelijke eenheid in Noord-Holland. Tijdens de laatste ijstijd (110.000-11.700 jaar geleden) kwam een pakket dekzand als een glooiende deken over het toenmalige landschap te liggen. Dit dekzand was bewoonbaar vanaf het Laat Paleolithicum (40.000 jaar geleden) tot aan het Neolithicum, toen het overdekt raakte met veen. In de loop van de late middeleeuwen verdronk dit veenlandschap en was het een kweldergebied. In de 16e t/m 19e eeuw zijn er diverse pogingen gedaan om de polder te bedijken. Uit deze periode kunnen nog scheepswrakken in de bodem liggen. Na de bedijking in 1846 was de polder Waard-Nieuwland in gebruik als agrarisch gebied. De noordgrens van de polder is de laatmiddeleeuwse wierdijk, die tevens de zuidelijke dijk (aan de luwe kant) van het voormalig eiland Wieringen is.

Een van de verbeteringen in het watersysteem in de polder Waard-Nieuwland is het aanbrengen van duikers en gemalen. Zo is de laatmiddeleeuwse wierdijk (de Hippolytushoeverdijk / Stroeërdijk) op enkele plaatsen doorgraven om een duiker aan te leggen, zodat er via een betonnen buis water onder de dijk door kan stromen. Deze deels uit wier bestaande dijk is een provinciaal monument en uniek omdat het de laatste bewaard gebleven wierdijk in Noord-Holland is. Hoewel wierdijken niet zeldzaam zijn in het voormalige Zuiderzeegebied, is deze dijk in tegenstelling tot andere niet onzichtbaar en overdekt geraakt door modernere dijken. De maatregelen van het hoogheemraadschap maakten het mogelijk archeologisch en botanisch onderzoek te doen naar het profiel van deze dijk, van kleiplaggen en ‘wier’ - of beter gezegd aangestampt zeegras. Ook de aanleg van nieuwe sloten en de verbreding van watergangen zijn verbeteringsmaatregelen. Op een aantal locaties is daarvoor met boringen de bodemopbouw van de polder in kaart gebracht. Het bodemprofiel toont een afwisseling van mariene afzettingen en (dunne) veenlagen, die naar beneden toe overgaan in het (pleistocene) dekzand. Op diverse plekken is de top van het dekzand nog intact. Op die zandkopjes en de flanken ervan was in de prehistorie bewoning mogelijk. Er zijn ook enkele aanwijzingen gevonden dat dat gebeurde. Het karterend booronderzoek leverde er namelijk een mogelijk vuurstenen artefact en enkele fragmenten knappersteen en houtskool op.


Projectleiders RAAP

Karin Wink en Helle Molthof T 071-5768118

E k.wink@raap.nl en h.molthof@raap.nl

Opschaven van de natuurlijke kwelderafzettingen waarop de dijk is aangelegd. Het gehele profiel is 5 meter hoog.

De duiker (zwarte wand aan het eind van de sleuf) staat op zijn plek en de grond kan weer worden teruggeplaatst. Bijzonder om een kijkje te kunnen nemen in deze eeuwenoude dijk!

Wiervissers bezig met het lossen van de oogst (bron: Oneindig Noord-Holland). Zij verzamelden het ‘wier’ (eigenlijk zeegras) door bladmateriaal van de kust te rapen of bij laag water op te vissen.

Schematische doorsnede door een wierdijk (Westfrieslandse Zeedijk). Het wier ligt aan de zeezijde als een blok tegen het aarden dijklichaam aan. Voor de dijk stonden houten palen ter bescherming tegen de golven. Wierdijken waren niet echt sterk. Door paalworm en achterstallig onderhoud verslechterde hun staat en eind 18e eeuw stapte men veelal over op minder steile dijken met steentalud.

De Wierdijk in 1627. De rode cirkel geeft de plaats aan waar een duiker is aangelegd onder archeologische begeleiding.

Van het wier zijn monsters geanalyseerd om te kijken welke plantenresten en dieren erin bewaard zijn. Afgebeeld zijn o.a. zaden van zeegras (a, b), een kaak van een zeeduizendpoot (e), slakjes (g, i) en (h) de zeldzame slak slank gordelhorentje (onoba aculeus) die niet meer voorkomt in Nederland. (Bron: O. Brinkkemper en W. Kuijper).

Net onder het wierpakket is aardewerk gevonden van vóór 1650. Dit sluit mooi aan bij de vermoedelijke aanleg van de dijk rond 1600. De afgebeelde scherf van een 19e-eeuws bord, is bóven het wierpakket gevonden. Rechtsonder op de breuk zit een stempel met drie kruisjes en de letters BOZ (Bergen op Zoom).

Het profiel van de bodemopbouw van het plangebied laat zien dat het dekzand grotendeels intact is: daar kunnen nog archeologische resten aanwezig zijn.

Deel dit bericht

Herestraat Groningen

IN DE PUT
 IN GRONINGEN

met archeoloog
Janneke Hielkema

De Herestraat is niet alleen de bekendste winkelstraat van Groningen, maar ook een van de oudste bewoningsassen van deze stad. Afgezien van enkele waarnemingen bij de verbouwing van de Mc Donalds en de Schoenenreus en de vervanging van een riolering, is in deze straat weinig archeologisch onderzoek gedaan. Nieuwbouw aan Herestraat bood dan ook een uitgelezen kans om de ontwikkeling van de bewoning te onderzoeken. Het archeologische onderzoek tijdens de aanleg van een nieuwe kelder bleek een behoorlijke uitdaging voor archeoloog Janneke Hielkema en haar collega’s. 

Locatie
Herestraat 44-1 en 44 nabij de kruising met de Hoogstraat in Groningen. Dit is een van de hoogste delen van de stad Groningen, rond 8 meter boven NAP.

Opdrachtgever
Een particuliere belegger die een nieuwe afzinkkelder van 380 m2 in de Herestraat wilde aanleggen.

Oud en hoog
De Herestraat ligt op de kruin van de Hondsrug, een keileemrug van Drenthe tot Groningen die noordelijk van de stad richting het wierdengebied doorloopt. We weten dat het hooggelegen gebied van de Hondsrug al vanaf de prehistorie door mensen is bewoond of in ieder geval in gebruik was. In de vroege middeleeuwen ontstond daar de nederzetting Groningen langs de Herestraat. Eerst zullen er houten boerderijen hebben gestaan die vanaf de 13e eeuw vervangen werden door bakstenen huizen.

380

m2
bouwput

60

stalen
palen

300

cm dik
archeologisch pakket

Stookvloer van dakpannen.

Sporenvlak.

Beschilderd plafond uit 17e eeuw.

Sloop

In november 2016 zijn voorafgaand aan de sloop van de panden aan de Herestraat enkele kijkgaten gegraven om de funderingen te documenteren. Na de sloop hebben we in januari 2017 de bovenste meter in twee vlakken opgegraven. De funderingen en kelders van de gesloopte panden zijn gedocumenteerd en daarna verwijderd.


Bomvolle bouwput

In mei en juni 2017 begon de volgende fase van de opgraving. In de tussentijd boorde de aannemer meer dan 60 stalen palen in de grond en op het maaiveld werden de vijf meter hoge betonnen kelderwanden ter plaatse gemaakt. Voor de stabiliteit van de wanden werd aan de binnenkant van de kelder een horizontaal stempelraamwerk aangebracht. Door de bodem binnen de kelderwanden te ontgraven, kon de kelder vervolgens geleidelijk worden afgezonken tot zo’n 4,5 meter onder het oorspronkelijke maaiveld. Om dit te bereiken werden zes minigravers met een telescopische kraan binnen de kelderwanden gehesen. Elke minikraan kwam in een door de horizontale stempels afgeperkt deel van de kelder te staan. Bij elke kraan stond een archeoloog om in zijn `vak’ vlakken aan te leggen en te documenteren.


Time-teams

Per dag groeven we een circa 20 cm dikke laag op en het archeologisch vlak moest aan het eind van de dag volledig gedocumenteerd en afgewerkt zijn. Daarom werkten we met twee teams van archeologen. Ik had van 7.00-14.00 uur de leiding van het ochtend-team en mijn collega Berrie van Hoof van 14.00-21.00 uur van het middag-team. Een deel van het werk hebben we samen uitgevoerd. In enkele weken tijd hebben we zo een 3 meter dik archeologisch pakket ontgraven tot in de top van de keileem.


Uitdaging

Het was erg druk in de bouwput. Naast alle archeologen waren er veel grondwerkers van het bouwbedrijf aanwezig om de kelderwand en de lastige hoekjes waar de minigravers niet bij konden te ondergraven. Een lange transportband, waarop de uitgegraven grond richting Herestraat werd gebracht, bemoeilijkte het documenteren van de archeologische resten. En werken in een winkelstraat in de binnenstad leverde ook beperkingen op: voor 7.00 uur mochten we niet graven en het transport voor de grondafvoer mocht tot uiterlijk 14.00 uur plaatsvinden. Ruimte om de stort neer te leggen was er niet. En metaaldetectie was lastig vanwege de stalen palen en de wapening in de kelderwand, maar gelukkig niet geheel onmogelijk.

Van paalkuilen tot goud

Aan de westzijde van het terrein vonden we een pakket lemen vloerlagen evenals een vierkante stookvloer van gebroken rode dakpannen uit de 15e/16e eeuw. In een kelder die was dichtgestort met bouwpuin ontdekten we zeer veel fragmenten blauw beschilderde wandtegels uit de 17e eeuw. Verder kwamen op een dieper niveau middeleeuwse greppels en paalkuilen aan het licht. Het oostelijke deel van het onderzoeksterrein was in gebruik als erf. Daar vonden we paalsporen, afvalkuilen en waterputten en langs de randen van de bouwput sneden we middeleeuwse perceelsloten aan. Op het aller diepste vlak in de bouwput troffen we paalsporen aan en aardewerkscherven uit de ijzertijd. Uit de grondsporen is vooral aardewerk en dierlijk botmateriaal geborgen dat in de humeuze grond goed bewaard is gebleven. We hebben bijvoorbeeld delen van versierde benen kammen gevonden. Verder leverde de opgraving metaalvondsten op zoals enkele munten en een klein gebogen goudstripje.


Plafond

In pand 42, dat ook deel uitmaakt van de nieuwbouwplannen, is een beschilderd houten plafond uit 1637 gevonden. Het is bijzonder dat dit oude plafond nog aanwezig was en al die tijd nooit is overgeschilderd. Het pand werd destijds bewoond door ritmeester Bernard Entens, een hoge officier tijdens de 80-jarige oorlog. Het plafond kon niet in het pand behouden blijven en krijgt mogelijk een plek in het Noordelijk Scheepvaartmuseum. 


Vervolg

De opgraving is inmiddels afgerond en materiaalspecialisten zullen alle gewassen vondsten analyseren. Ook de sporen en structuren gaan we nader uitwerken zodat we medio 2018 het rapport kunnen opleveren. 


Projectleider RAAP
Janneke Hielkema T 0512-589140 | E j.hielkema@raap.nl

Deel dit bericht

ONDERKANT BOVEN 
van een 
Beemster ondermolen

De Beemster in Noord-Holland is misschien wel de meest beroemde polder ter wereld. Drooggemalen in de 17e eeuw met hulp van 51 molens en ingericht volgens een superstrak blokkenpatroon. Alle Beemster poldermolens zijn verdwenen. Dat maakte het archeologisch onderzoek naar de resten van de Draaioordermolen in Zuidoost Beemster extra bijzonder.

Onder het talud van een nieuwe oprit naar de N244 in Zuidoost-Beemster bleken de resten van een molen verborgen te liggen. De helft van deze 17e-eeuwse windmolen die niet onder het talud lag, is in april en mei 2017 door RAAP opgegraven. Dat gebeurde in opdracht van de provincie Noord-Holland en in samenwerking met Dura Vermeer. Het was voor het eerst dat de provincie archeologisch onderzoek naar een molen liet doen, en de onderkant ervan werd blootgelegd.

De opgegraven molen was onderdeel van de zogenoemde Draaioordergang die uit vier windmolens bestond. Samen maalden ze het Beemstermeer droog door het water in vier ‘trappen’ omhoog te brengen: van de onderboezem naar de ringvaart. Elke molen verzette het water van een lager naar een hoger niveau. De eerste twee molens zijn in 1612 gebouwd en lagen aan het begin en eind van de Draaioordergang. Tussen 1613 en 1615 kwam er een derde molen bij en tussen 1632 en 1635 is de opgegraven molen als laatste in de Draaioordergang bijgebouwd. De Beemster lag toen al droog, maar het waterpeil was nog niet overal naar wens te beheersen, vandaar deze toegevoegde ondermolen.

Molen
Van de molen zijn de resten opgegraven van een bakstenen achterwaterloop, waar het water van de molenkolk naar het (niet meer aanwezige) scheprad werd ingelaten, en van een voorwaterloop vanwaar het water afgevoerd werd. De voorwaterloop bestond uit een solide blok muurwerk op horizontale planken, die weer op verticaal ingeslagen (hei)palen lagen. Onderdeel van de voorwaterloop was het stortebed, een sterk gesleten bakstenen vloer, waar het water van het houten scheprad opgedraaid werd en het de molen kon verlaten in het boezemwater. De overige resten van de achtkantige molen waren van hout. De omtrek van de molen was beschoeid met aan de onderzijde afgeschuinde houten planken. Mogelijk is de beschoeiing aangebracht als damwand tijdens de bouw van de molen in de reeds bestaande molengang. De andere drie molens stonden er immers al. Binnen de beschoeiing zijn ongeveer honderd ingeslagen houten palen gevonden. Meer dan de helft waren funderingspalen van de vier aangetroffen stiepen. Het enorme gewicht van de molen werd gedragen door in totaal 8 stiepen. Twee beschoeiingen in het midden van de molen markeren mogelijk de plaats van het waterrad, dat ooit op een hoger niveau aanwezig moet zijn geweest. Een beschoeiing van planken met mes- en groefverbindingen dwars door de molen doorsnijdt de hele molen. Waarschijnlijk was dit het waterscherm dat ervoor zorgde dat het over te slagen water niet onder de molen liep.

Opgravingslocatie pal aan de
 N244-afrit Beemster.

De achterwaterloop.

De voorwaterloop.

Achtkantige molen met (gereconstrueerde) stiepen en bakstenen achter- en voorwaterloop (rood); molengang voor 1632/35 (lichtblauw); na 1632/35 (donkerblauw) en na 1850 (donkerblauw gearceerd); erf met vermoedelijk bijgebouw (oranje) en kuilen met slachtafval (groen).

Molenviergang

De molengang is vooral aan de oostzijde van de molen onderzocht, waar de boezem aan het molenerf grenst. De Draaioordergang kende drie fasen. Allereerst de molengang voor de bouw van de molen. De veenrijke vulling van deze eerste fase bevatte nauwelijks tot geen vondsten. De tweede fase is de gebruiksfase tussen 1632-1635 en 1850, toen het houten scheprad werd vervangen door een vijzel. Het uitkomende water werd toen tussen waarschijnlijk twee houten schotten geleid, waarvan een houten plank van 5,5 m lang uit één stuk nog aanwezig was. De derde fase ligt tussen 1850, als de vijzel wordt geplaatst, en 1880 als de molen ter afbraak wordt verkocht. De molengang wordt dan veel dieper uitgegraven. Van de molen zijn veel resten uit de 17e eeuw opgegraven. Toen draaide er een houten scheprad aan de zijkant van de molen. Van de omschakeling naar een vijzelmolen zijn nagenoeg geen overblijfselen aangetroffen. De vijzel was altijd midden in de molen geplaatst, en dat was precies de plaats waar het talud van de N244 begint. Een brok muurwerk van de derde fase en een stuk houten beschoeiing zijn de enige relicten van de laatste gebruiksfase van de molen. Het is niet onwaarschijnlijk dat alle resten die ten zuiden van de molen lagen, bij de aanleg van de N244 zijn verdwenen.

Molenerf

Uit historische kaarten is bekend dat alle molens van de Draaioordergang dezelfde opbouw hadden: een erf ten noordoosten van de molens met een bijgebouw, ook wel koehuis genaamd. Van het bijgebouw zijn slechts enkele sporen teruggevonden: verkleuringen met mortelspikkels en kleine fragmenten baksteenpuin. Tussen het bijgebouw en de molen lagen drie grote kuilen met slachtafval. Het overgrote deel van de vondsten lag in de vulling van de ondiepe molengang, direct achter de wateruitlaat. Daaronder zijn veel resten van gebruiksgoed van aardewerk en glas (wijnflessen) en veel metalen voorwerpen, vooral eetgerei (maar liefst 11 tinnen lepels), maar ook kledingaccessoires, munten en bouwmateriaal (dakloden en glas-in-lood-strips), leren schoenen en niet alledaagse vondsten als een houten kloot. De voorwerpen geven een tastbaar beeld van de levenswijze en -standaard van de verschillende molenaarsfamilies die er gedurende 250 jaar woonden. De analyse van het slachtafval en de (pollen)monsters kan inzicht geven in het dieet van de molenaarsfamilies en de ontwikkeling van het landschap tussen de 17e en late 19e eeuw. De uitwerking van de vondsten is na de zomer gestart.


Projectleider RAAP

Martin Schabbink T 0575-567876 | E m.schabbink@raap.nl

Deel dit bericht

Opzienbarende 
IBA Parkstad-projecten rond 
Verdwenen kastelen

In de Zuid-Limburgse regio Parkstad doet RAAP archeologisch onderzoek voor twee projecten waarin verdwenen kastelen de hoofdrol spelen. In Landgraaf vanwege de herbouw van Slot Schaesberg en in Jabeek om de historische grachten van kasteel Etzenrade weer zichtbaar en beleefbaar te maken. Het gaat om zogenoemde ‘IBA-projecten’ met twee zeer enthousiaste opdrachtgevers die hier een toelichting geven.

Wat is IBA Parkstad?
 In 2013 besloten de Limburgse Parkstadgemeenten (Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Brunssum, Voerendaal, Simpelveld, Nuth, Onderbanken) en de provincie Limburg om een IBA te starten. IBA staat voor ‘Internationale Bau Ausstellung’. Dit is een fenomeen dat in Duitsland is ontstaan en uitgroeide tot een creatieve aanpak die voor een economische impuls voor een stad of gebied zorgt. IBA bouwt zelf niet, maar regelt processen en stimuleert projecten. Voor Parkstad gaat het om 292 projecten die de toekomst van de voormalige mijnregio moeten verbeteren. IBA Schaesberg en IBA Etzenrade zijn daar twee van.

IBA Slot Schaesberg

Het van oorsprong 13e/14e-eeuwse kasteel
Schaesberg in Landgraaf was tot in de 18e eeuw bewoond. Na het overlijden van de laatste bewoner raakte het snel in verval. De bijbehorende en typisch Limburgse carréhoeve was twee eeuwen langer in gebruik, maar ontkwam evenmin aan verpaupering. Uiteindelijk werden de kasteelhoeve en kasteelruïne in de jaren 60 gesloopt. Sinds 2012 waait er een andere wind: er zijn vergevorderde herbouwplannen. Daarvoor deed RAAP in 2014 archeologisch onderzoek naar de toegangsbrug, en in augustus 2017 zijn de fundamenten van de toegangspoort opgegraven. 

Aryan Klein, directeur van de Stichting Landgoed Schaesberg, benadrukt dat het om herbouw in authentieke staat gaat, met authentiek bouwmateriaal. En dat het bouwen tegelijk een opleidingsproject is met het uiteindelijke doel een toeristische attractie te realiseren. “Het project kent vijf pijlers. Ten eerste de wetenschap. Daarvoor werken we met RAAP samen, in 2014 met de opgraving van de toegangsbrug en nu de toegangspoort. Op basis van het archeologisch onderzoek worden de herbouwplannen gemaakt. De overige pijlers zijn toerisme, educatie en ambacht. We hebben in Nederland veel monumenten die we willen behouden, maar steeds meer tekort aan mensen die die oude technieken nog beheersen. Wij willen slot Schaesberg uitbouwen tot een erfgoedcampus, ‘het Nyenrode van de ambachten’, een kennisinstituut waar mensen zowel praktische als theoretische kennis opdoen. Het hele spectrum van oude bouwtechnieken willen we er onderbrengen. Dat past goed in de regio Limburg en is ook in het belang van deze krimpregio, het is een belangrijke economische impuls. Tot slot is er nog het maatschappelijke aspect. We werken namelijk met veel re-integranten, mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt die hier hun baankansen kunnen verbeteren. We hebben wel 60 vrijwilligers die actief zijn en wekelijks veel stagiaires die meewerken.

Wat betekent IBA voor het project?

Het zorgt ervoor dat we niet alleen terugkijken naar het verleden, maar ook naar de toekomst. Hoe kun je nieuwe technieken zoals 3D-printing inzetten als onderwijstool? Hoe kun je met allerlei partners nieuwe ambachten koppelen aan dit project? We noemen dat het SlotLab. Vroeger haalde je kennis uit de bibliotheek, maar jongeren hebben daar nu andere kanalen voor, die zitten online, op YouTube. Wij kijken hoe moderne AV-middelen in de opleiding passen. In 2020 moeten we laten zien of we iets hebben kunnen ontwikkelen qua nieuwe ambachten. Het mooie van IBA is dat het de kans biedt om met partijen samen te werken die normaal niet in beeld zijn, omdat ze andere interesses en doelgroepen hebben. Wij kijken hoe we elkaar kunnen versterken.


Heeft u concrete voorbeelden van die nieuwe technieken?

We hebben bijvoorbeeld een 3D geprint model van een torenspits gemaakt via een 3D-hub, een netwerk van mensen met 3D-printers. Dat model kan dienen al onderwijs-tool. Er is ook gedacht of we niet iets kunnen ontwikkelen dat eruitziet als een daklei en waarin je warmte kunt opslaan of stroom mee kunt opwekken. Zoiets kunnen we misschien met een universiteit ontwikkelen. De herbouw van het poortgebouw gaat binnenkort beginnen. Stel we vinden in de omgeving een poorttoren die overeenkomsten heeft met ons gebouw, dan kunnen we die scannen. Je kunt er dan omheen lopen en krijgt detailinformatie van de toren, ook dat is waardevol voor de herbouw.

Bent u tevreden over hoe RAAP het veldwerk begeleid?

Ja, we hebben altijd een vaste RAAP archeoloog voor toezicht en uitvoering en we werken met vrijwilligers, vooral uit de regio Parkstad. En RAAP heeft zelf ook stagiaires en vrijwilligers meegenomen. Dat was heel leuk. Een studente archeologie bij het Saxion College Deventer, en afkomstig uit Landgraaf, had als eindopdracht een animatie van de bouwfasen van het kasteel gemaakt. Zij heeft enthousiast mee gegraven en inmiddels werkt ze bij RAAP. Het is leuk als je voor jongeren, voor de nieuwe generatie wetenschappers, een springplank kunt zijn.


Wat gaat er gebeuren met de resultaten van het archeologisch onderzoek?

Als we straks het rapport van RAAP hebben, kan het eerste bouwproject starten. De oorspronkelijke poortfundering, die deze zomer is opgegraven, zal worden verstevigd en blijft in situ bewaard. In de put maken we binnenkort nog een 3D-scan van de funderingsresten. Hoe wordt het poortgebouw gereconstrueerd? We gaan het poortgebouw volledig met authentieke materialen terugbouwen. Met veldbrandstenen, kalkmortel, kalksteen, eiken draagbalken, er komen leien op het dak. Het is uniek om het zo te bouwen, het moet tot meer publiek leiden en tegelijkertijd een leerplek voor jongeren zijn.


Wanneer is het project afgerond?

De ambitie is om alles te herbouwen, zowel de hoeve als het kasteel, maar daarvoor hebben we nog geen financiering. Je moet het zien als een stapsgewijs proces, te beginnen met de poorttoren, dat we in de komende decennia zullen realiseren.

Vrijwilligers aan het werk in het 17e eeuwse poortgebouw.

Kleine put met houten balk en karresporen (uitstulpingen rechts).

Muren buiten het 17e-eewse poortgebouw met muurresten van een (16e-eeuwse?) voorganger.

IBA Etzenrade

Achter de carré-hoeve Het Etzenrader
Huisken in de gemeente Onderbanken liggen in de bodem de restanten van kasteel Etzenrade verborgen. Van de geschiedenis daarvan is weinig bekend. Huis Etzenrade staat voor het eerst vermeld in een historische bron uit 1299. Op diverse oude landkaarten is de locatie van het kasteel aangegeven, maar op 18e eeuwse kaarten staat geen kasteel aangeduid, wel de kasteelhoeve met daarachter een grachtencomplex met twee eilanden. Vermoedelijk is het kasteel grotendeels al voor de 18e eeuw verdwenen. In 2016 deed RAAP onderzoek naar de landschappelijke ligging en begrenzing van het kasteelterrein vanwege inrichtingsplannen. In 2017 is een proefsleuvenonderzoek gedaan om meer details over de grachten en tijdsfasering te verkrijgen. Voor het IBA-project Etzenrade is het plan bedacht om de historische grachten weer zichtbaar en beleefbaar te maken. 

Tim Senden, beleidsmedewerker bij de gemeente Onderbanken, is projectleider van het IBA project Etzenrade. Hij geeft aan dat de grachten naast een educatieve en toeristische functie ook een waterbergende functie gaan vervullen. “De grachten worden benut om overtollig regenwater te kunnen bergen. De wens van het waterschap was een buffercapaciteit van minimaal 2000 m3 water, maar uit recente berekeningen blijkt dat er straks zelfs 4000 m3 te bergen is.”

Wat houdt het inrichtingsplan voor het voormalige kasteelterrein in?

Het gaat om het zichtbaar maken van de grachten rond de eilanden van het verzonken kasteel. Er is nu een eerste schetsontwerp klaar, een combinatie van het tuinontwerp van de bekende Nederlandse tuinarchitect Piet Oudolf en van Lola Landscape Architects. Naast de grachten worden ook de proefsleuven die tijdens het archeologisch onderzoek zijn gegraven in het tuinontwerp verbeeld. De vondsten worden op locatie zichtbaar gemaakt door middel van staanders. Dat zijn een soort sokkeltjes waarop de vondsten staan, of de replica’s daarvan. Totaal zo’n 200 stuks. We gaan de archeologie dus etaleren en het mooie is dat het gebeurt op de plek waar het gevonden is.


Wat betekent de link met IBA voor het project?

IBA heeft vooral een kwaliteitsimpuls gegeven. Het was een voorstel van IBA om Piet Oudolf en Lola Architects hiervoor te vragen. Zij vonden hen het meest geschikt voor dit plan en dat blijkt goed uit te pakken. Het gaat trouwens nog verder, want de eigenaar van het Etzenradehuuske gaat een kunstwerk ontwikkelen om het kasteel te verbeelden. Hij heeft daarvoor het voorlopige ontwerp afgewacht, dat komt er dus nog bij. Het hele project wordt een combinatie van kunst, archeologie, water, recreatie, natuur. Dat maakt het complex, met veel invalshoeken, veel belangen, maar het levert ook extra kwaliteit. Op de IBA werkkaart zie je dat er in de buurt ook een fietsbrug komt met een open kunstwerk. Vanaf die fietsbrug komt een wandelpad richting de grachten van Etzenrade. We leggen dus verbindingen aan zodat het gebied goed ontsloten wordt, ook met horeca, het gaat om de gehele gebiedsontwikkeling.


Waarom heeft de gemeente archeologisch onderzoek laten doen?

Het archeologisch onderzoek was nodig om te bepalen hoe diep en breed de grachten waren en waar de resten van het kasteel liggen. Die informatie wordt een uitgangspunt van het ontwerp. De inrichting moet historisch verantwoord zijn, dus er was serieus onderzoek nodig. Uit de offertes die we hebben aangevraagd is RAAP qua prijs en kwaliteit als beste beoordeeld. Tijdens het veldonderzoek is niet veel van het kasteel teruggevonden, wel bleek dat het kasteel een totaal andere oriëntering in het landschap had, dan iedereen dacht. Ook zijn er mooie vondsten aangetroffen. Bijvoorbeeld van metaal en aardewerk, en resten van een knuppelpad uit 1400-1600. Het onderzoek van de vondsten is uitgezet naar specialisten en binnenkort krijgen we het eindrapport van RAAP. Dan hebben we een nog beter beeld van het tijdspad.

Worden de resultaten van de zadenmonsters meegenomen?

Ja, we gaan bespreken met de architect of de resultaten van het zaden- en pollenonderzoek ook meegenomen kunnen worden in de keuze voor de beplanting. Er worden wandelpaden aangelegd en qua beplanting en onderhoud moet het met de tijd meegaan. Wanneer zal het project afgerond zijn? In 2020 worden alle plannen voor IBA tentoongesteld. Volgend jaar willen we starten met de uitvoering zodat het er in 2020 al mooi uitziet. Van het huidige schetsontwerp gaan we naar een definitief ontwerp. Dit jaar hopen we het besluit daarover te nemen.


Wat maakt dit project voor u bijzonder?

Bijzonder is het aantal partijen waarmee we samenwerken: Piet Oudolf, Lola Architects, de provincie Limburg, Natuurmonumenten als grondeigenaar, Waterschap Limburg, RAAP. Het zijn veel partijen, dat maakt het niet gemakkelijk maar daar wordt het wel beter van. Het gaat om waterberging en tegelijkertijd ontsluiten we een historisch terrein en dat ter plekke van de historisch resten, interessant voor fietsers en wandelaars. We focussen op recreanten uit de grote regio Parkstad, met hopelijk een spin-off voor toerisme. 



Projectleider RAAP

Danny Keijers T 0495-513555 | E d.keijers@raap.nl

Knuppelpad onder ophogingspakketten, ca.1400-1600.

Baardmankruik uit de grachtvulling met in de baard nog een baardmannetje (16e eeuw).

Aanzet van de westgracht ter hoogte van het zuidelijk eiland.

Deel dit bericht

De Regte Heide 
getest als 
AHN proeftuin

Sinds enkele jaren beschikken we over een digitale hoogtekaart van heel Nederland. Ook archeologen gebruiken dit Actueel Hoogtebestand Nederland, of kortweg AHN. Met een geoefend oog, kennis van het landschap en computerbewerking van het AHN, speuren ze naar het cultuurhistorisch micro-reliëf. Onder andere op de Brabantse Regte Heide, waar ze lastig herkenbare sporen uit het verleden ontdekten.


Ook sporen uit de Tweede Wereldoorlog zijn in het micro-reliëf terug te vinden. Links: Loopgraaf WO I bij Tilburg (hoogstwaarschijnlijk Regte Heide);
Rechts: Een niet ontplofte luchtmijn op de Regte Heide.

Grote delen van Nederland zijn in bezit van terreinbeherende instanties als Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Provinciale Landschappen en Bosgroepen. In vergelijking tot woon-, industrie- en agrarische gebieden vinden er in deze natuurgebieden nauwelijks ingrepen plaats. Dat wil echter niet zeggen dat de historische resten in deze terreinen daardoor duurzaam behouden blijven. Reguliere werkzaamheden zoals plaggen of het planten van bomen kunnen het erfgoed ook aantasten.


Medewerkers van RAAP hebben het afgelopen jaar geëxperimenteerd met het in kaart brengen van erfgoed in bos- en heidegebieden met hulp van de AHN. Aansprekende voorbeelden hiervan zijn het doolhof van Arcen en het militaire kamp van Willem I uit de tijd van de Belgische Opstand (1830-1839). Recentelijk is in overleg met de stichting het Brabants Landschap het natuurgebied de Regte Heide en directe omgeving als AHN-proeftuin uitgekozen. Hoofddoel was het opsporen van archeologische en cultuurhistorische relicten die zich kenmerken door zeer geringe hoogteverschillen: het cultuurhistorisch micro-reliëf.


De Regte Heide staat in de archeologische wereld vooral bekend om de vele grafheuvels uit de Bronstijd en IJzertijd. Met de AHN zijn ze eenvoudig te traceren. Op deze hoogtekaart zijn ook veel ronde heuveltjes te zien die qua vorm overeenkomen met een grafheuvel. In het veld inspecteerde RAAP de meest markante verhogingen buiten de stuifzandgebieden via boringen en oppervlaktekartering. Zo kwamen drie nieuwe grafheuvels in beeld, en op elke heuvel zijn fragmenten prehistorisch aardewerk en crematieresten gevonden.

Onder bomen

Met de AHN is het cultuurhistorisch micro-reliëf zelfs opgespoord op plekken in het studiegebied die gemaskeerd zijn door bomen en struiken. Van het landschap in de late prehistorie zijn restanten van Celtic fields, grafheuvels en een zone met beekovergangen in het dal van de Oude Leij in kaart gebracht. Uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn er overblijfselen van wegen, leemwinning, steenovens en een doorwaadbare plaats door de Poppelsche Leij. En uit recentere tijd militaire sporen van een schijnvliegveld, loopgraven, bomkraters en granaatinslagen en een landingsplaats voor parachutisten.


Deze culthistorische relicten zijn voornamelijk aangetroffen in bossen en heideterreinen. De landbouwgronden zijn opvallend ‘leeg’. Daar zijn de uitvinding van kunstmest eind 19e eeuw en de toenemende vraag naar landbouwproducten, debet aan. Van nature voedselarme woeste gronden (heidevelden) werden toen omgezet in landbouwgrond. Door egaliseren en ploegen en intensief landbouwgebruik gingen veel cultuurhistorische waarden verloren. De voor landbouw minder geschikte gronden, zoals het stuifzandgebied op de Brakelse Heide, werden bebost met naaldhout voor gebruik in de steenkoolmijnen. De Regte Heide is de dans ontsprongen, omdat het een militair oefen­terrein werd en dat tot ver na de Tweede Wereldoorlog ook bleef. Dat het cultuurhistorisch micro-reliëf op de landbouwgronden ontbreekt, betekent overigens niet dat deze ‘onthistoriseerd’ zijn. Cultuurhistorische resten die niet meer aan het oppervlak waarneembaar zijn, kunnen wel in de ondergrond zitten. 


AHN

Archeologen gebruiken hoogtemetingen om afwijkende patronen op te sporen, zoals wallen en grachten. In het verleden gebeurde dat door hoogteverschillen ter plekke te meten. Nu gaat dat met de digitale AHN veel sneller. De gegevens uit het AHN zijn verzameld vanuit de lucht. De hoogte wordt gemeten via laseraltimetrie waarbij een vliegtuig of helikopter met een laserstraal het aardoppervlak aftast en 3D-hoogte-informatie verzamelt. Zo is van elke m2 in Nederland tot op 5 centimeter nauwkeurig de hoogte op maaiveldniveau bekend. 

De relicten die nu via de AHN aan het licht zijn gekomen, zijn zeer kwetsbaar voor ondiepe ingrepen. Reguliere werkzaamheden zoals plaggen, het verschralen van de bodem, verwijderen van stobben, planten van bomen en machinaal rooien van struiken kunnen de archeologische sporen in de bodem aantasten. Normaliter zijn dit werkzaamheden waarvoor volgens het archeologiebeleid van de gemeenten Goirle en Alphen-Chaam - waar de Regte Heide onder valt - geen archeologische zorgplicht bestaat, omdat de diepte van de ingrepen beneden de vastgelegde ondergrens valt.


Onbekend maakt onbemind

Doorgaans worden alleen plangebieden die heringericht worden archeologisch onderzocht. Natuurterreinen die weinig dynamiek kennen vallen daarbuiten. Als terreinbeheerders geen weet hebben van de cultuurhistorische relicten in hun gebied, kan dat kwetsbare erfgoed voorgoed verdwijnen. Een van de aanbevelingen uit het onderzoek is daarom dat er een beheerplan komt ter bescherming van cultuurhistorische resten, dat gedragen wordt door de Stichting Brabants Landschap en Defensie. Verder is aanbevolen geen verstorende werkzaamheden uit te voeren die het cultuurhistorisch micro-reliëf aantasten.

De Regte Heide is een natuur- en wandelgebied waar dagelijks veel recreanten komen. De zichtbare cultuurhistorische relicten zouden voor dit publiek ontsloten kunnen worden. Door plaatselijk bomen en struiken te verwijderen is zonder hoge kosten bijvoorbeeld een deel van de loopgravenstructuur zichtbaar te maken. Tot slot is kennisoverdracht belangrijk. Terreingidsen, heemkundekringen, de IVN en andere belangstellenden moeten weten wat er in hun gebied ‘in hun koektrommel zit’. Alleen dan kunnen zij naast de rijke natuur ook de evenzeer rijk gelaagde geschiedenis in hun lezingen en rondleidingen aan bod laten komen.


Projectleider RAAP

Jan Roymans T 0495-513555 | E j.roymans@raap.nl

Deel dit bericht

TIEN vragen over ArbitrArch

Jurist Jaap Kool ging na zijn pensionering archeologie studeren in Leiden en voerde daarnaast, zowel voor de SIKB als voor RAAP, onderzoek uit naar het archeologisch bestel in Nederland. Dat deed hem inzien dat er ruimte was voor verbetering. Bij navraag in de markt bleek daar ook belangstelling voor. Vandaar dat hij in december 2016 startte met de oprichting van ArbitrArch: de stichting Arbitrage en advies bij Archeologische Projecten. Tijdens de Reuvensdagen op 16 en 17 november in Leiden zal de stichting zich presenteren. Voor het RAAP-magazine stelden we 10 vragen aan directeur Jaap Kool over Arbitrarch.

Oprichtingsvergadering van ArbitrArch met vlnr:

Harmen de Mol van Otterloo (voorzitter), Henny Groenendijk (bestuurslid),

Leonard de Wit (adviseur van het bestuur), Eli Gehasse (adviseur van het bestuur),

Jaap Kool (secretaris) en Martijn van Gelderen (penningmeester).

Bestuurslid Tom Hazenberg ontbreekt op de foto.

Het is een onafhankelijke stichting, zonder winstdoelmerk, die partijen die betrokken zijn bij archeologische projecten de mogelijkheid biedt om problemen of vragen op te lossen buiten de rechter om. Het doel van de stichting is samenwerken aan de verbetering van het archeologisch bestel. We bieden daarvoor drie instrumenten: arbitrage, bindend advies en raadgevend advies.

Ja, dat blijkt uit de vele gesprekken die we hadden met diverse betrokkenen. Het wordt ook bevestigd door het bestuur en diverse commissies die alle belangen vertegenwoordigen en het blijkt uit de funding door het ministerie van OCW. Zij erkennen het belang van geschillenbeslechting op dit gebied.

Het bestuur bestaat uit archeologen, ontwikkelaars, vertegenwoordigers van de overheid en het wordt voorgezeten door een jurist met veel arbitrage ervaring. Ik ben zelf secretaris van het bestuur en daarnaast, als directeur van het instituut, ook voor de dagelijkse activiteiten verantwoordelijk.

Partijen die betrokken zijn bij ‘verstoorder-betaalt-projecten’ kunnen zaken voorleggen aan de arbiters of adviseurs. Dus private partijen, zoals opdrachtgever en uitvoerder, belangen- of brancheverenigingen, maar ook overheden en semioverheden. De commissie marktverkenning van ArbitrArch heeft al veel probleemtypen in kaart gebracht. Overheden zoals gemeenten kunnen bijvoorbeeld hardnekkige beleidsvragen voorleggen. Vaak terugkerende dilemma’s kunnen ook gezamenlijk worden voorgelegd. Archeologische bedrijven hebben belang bij uitspraken die van invloed zijn op hun bedrijfsvoering. Hun positie kan door de uitspraken op de lange termijn versterkt worden. Het is ook te overwegen om principiële vragen door brancheverenigingen voor te laten leggen.

Voor problemen die je in de praktijk tegenkomt, zijn verschillende oplossingen. Je kunt het erbij laten zitten, onderhandelen of lobbyen. Dat zijn vriendelijke oplossingen, net als het voorleggen van een probleem aan deskundigen, ArbitrArch dus. De minst vriendelijke oplossing is voorleggen aan de rechter. Arbitrage of advies vragen doe je samen. Het bestaat al honderden jaren en heeft een aantal voordelen. Je legt je zaak voor aan mensen die inhoudelijk ter zake kundig zijn en die op grond van bewezen maatschappelijke ervaring belangen kunnen afwegen en een situatie kunnen beoordelen. Elke partij heeft de vrijheid zijn eigen arbiter of adviseur te kiezen. De procedure is flexibel en kan dankzij de e-arbitrage via internet ook snel verlopen. De kosten zijn vergelijkbaar met een niet al te simpele procedure bij de gewone rechter. De uitkomst wordt anoniem en online gepubliceerd en leidt tot quasi jurisprudentie. Die is overigens niet per se bindend voor andere zaken, maar kan wel precedentwerking hebben. Door de publicatie werk je dus aan precedenten en daar heeft iedereen wat aan.

Stel twee partijen hebben een probleem. Ze kloppen bij ons aan voor uitleg en spreken dan onderling een ArbitrArch geschillen beslechtingclausule af of zijn dat eerder overeengekomen. Vervolgens worden ze op weg geholpen en verwezen naar de website en lijst van arbiters, de partijen kiezen hun arbiters of adviseurs en dan start de procedure. Zodra voldaan is aan de vereisten, krijgen de partijen en deskundigen een wachtwoord en daarmee toegang tot een internetmodule. De eisen en tegeneisen worden ingebracht en de arbiters of adviseurs reageren daarop. Alle communicatie verloopt in principe via de beveiligde website, niemand anders kan daarbij. In beginsel zal er minimaal een zitting zijn waarbij de partijen elkaar in de ogen kunnen kijken. Dan volgt een vonnis of advies, de partijen betalen de kosten en tot slot wordt de uitspraak anoniem gepubliceerd.

Daarvoor bestaan goede en transparante procesregels waarbij de rechten van de partijen zijn vastgelegd. Bij arbitrage moet uiteraard sowieso worden voldaan aan de Arbitragewet. Verder hebben we onpartijdige en onafhankelijke arbiters en adviseurs die een selectieprocedure hebben ondergaan.

Een arbitraal vonnis kan betrekkelijk eenvoudig ten uitvoer worden gelegd. Bij een bindend advies moet een extra stap worden gezet. Als een van de partijen het advies weigert uit te voeren, kun je naar de gewone rechter. Bij een raadgevend advies kun je niets afdwingen, maar in de praktijk zullen ook die uitspraken vermoedelijk belangrijk zijn voor de betrokken partijen. Hoger beroep is in principe bij ArbitrArch niet mogelijk.

We weten dat de meeste partijen niet heel rijk zijn en voor ArbitrArch vragen we een kleine administratieve bijdrage. De arbiters en adviseurs krijgen een salaris aan de onderkant van een gemiddeld advocatentarief. Verder onderzoeken we de mogelijkheid van een regeling voor kleine belangen. 

Het zijn mensen met ervaring in de archeologie, bouw, ontwikkeling, planning en het vergunningstelsel of het zijn ervaren arbiters, zoals de voorzitters van een panel. Veel van hen zijn zzp-ers, niemand is in dienst van ArbitrArch. Het is belangrijk dat de deskundigen gezag uitstralen, daarom is de selectie zwaar en tijdrovend. Zo was een selectiecommissie van zeven man bijvoorbeeld zes maanden bezig om vijf archeologen-deskundigen te vinden! We willen starten met minimaal 10 tot 12 arbiters/adviseurs. Na de presentatie op de Reuvensdagen kan de lijst arbiters aangevuld worden, mogelijk via een open sollicitatieprocedure.

KORTE
berichten


Van drone tot hutspot

Certificering!?

COLUMN

De uiterst ervaren archeoloog H., met wie ik samen op een opgraving sta in het altijd mooie L., blijkt nog niet ingeschreven te zijn in het actorregister. Ik wel (nummer 860331) en daarom staat hij onder mijn curatele. Geen grapje, hij mag alleen doen wat hij al meer dan twintig jaar doet, als ik maar toekijk of ergens een paraaf zet. Geen paraafje, dan hebben we een probleem. Van nature heeft archeoloog H. een enigszins rood hoofd, dat nu echter een paarsige gloed heeft aangenomen. Veel van mijn collega’s kunnen de gevolgen van het nieuwe systeem van certificering in de Nederlandse archeologie nog niet geheel overzien. Ikzelf ook amper, maar mijn directeur verzekert ons keer op keer dat het wel meevalt. Dat laat onverlet dat opeens controlerende instanties zijn verschenen die ‘audits’ kunnen houden, waarbij absolute  

vanzelfsprekendheden bewezen moeten worden door afgevinkte formulieren. Hoe controleer je de kwaliteit op de archeologische markt? (Als je dat wilt. Dat er kwaliteitserosie optreedt wanneer je archeologisch onderzoek aan private partijen overlaat, is echter een hardnekkige overtuiging.) Controle op een inhoudelijke kwaliteit bestaat niet, want wat is kwaliteit? Is archeoloog H. een betere archeoloog dan ik? Hoe kun je dat dan zien? Zijn z’n rapporten dikker? Er is voor gekozen om het proces te controleren. Als je maar eerst dat doet en dan dat, komt het gemiddeld genomen wel goed. Dat systeem was er eigenlijk al, maar is nu aangescherpt door een wat stringentere versie. Er is een regelweb gesponnen dat de cowboys van de markt schijnt te moeten weren, maar misschien wel het tegenovergestelde bereikt.   

Goedbedoelende archeologen verliezen tijd en energie aan het aantonen van voor zichzelf sprekende zaken. Ook spreekt er een zekere minachting uit. Als H. al twintig jaar goed bezig is (fact…), wie denkt dan waaraan het recht te ontlenen hem onder curatele te stellen? Het is de klassieke clash tussen regels en redelijkheid, waarvan vooral de klant de dupe is. Het kost tijd, dus geld. En dat zal de klant betalen, want het moet ergens vandaan komen. Foute boel, wat mij betreft. Een gezegde luidt dat ik eerder mijn vaderland hoop te verraden dan mijn vrienden. In die sfeer hoop ik archeoloog H. niet te controleren. Wij doen ons werk en we doen het goed.

Ivar Schute
senior projectleider RAAP

Uit 't Veld

Best bijzonder wat we allemaal tegenkomen 

600 jaar later

Hoe ziet een gracht eruit die voor het eerst in 600 jaar weer zonlicht ziet? In het Limburgse Bocholt (Grenspark Kempen~Broek) lag van de 14e eeuw tot in de jaren 1970 een honderden meters groot verdedigingssysteem van grachten en wallen. Na enkele decennia vergetelheid is de site onlangs door RAAP onderzocht. Bodemkundige Reinier Ellenkamp legt uit wat we zien in de Bocholter gracht zes eeuwen na de aanleg. Na een opknapbeurt wordt de gracht in 2018 feestelijk ingewijd.

Gebruik van drones in de archeologie:

winnende project prijsvraag Stichting RAAP

Bijna al het archeologisch onderzoek in Nederland is gekoppeld aan de Wet op de ruimtelijke ordening. Dat leidt enerzijds tot allerlei verplicht archeologisch onderzoek, anderzijds worden interessante projecten waar geen omgevingsvergunning aan ten grondslag ligt nauwelijks uitgevoerd. Jammer, want zo missen we een belangrijk kennis- en ontwikkelingspotentieel, vindt de stichting RAAP. Vandaar dat een prijsvraag werd uitgeschreven passend bij de doelstelling van de stichting, namelijk het bevorderen van onderzoek en de verspreiding van kennis op het terrein van de archeologie, de overige cultuurhistorie en de landschapsgenese.

Uit twaalf zeer uiteenlopende voorstellen voor innovatieve producten en onderzoeksmethoden en voor aansprekende publieksparticipatie, koos de jury als het winnende project een onderzoek naar het gebruik van drones in de archeologie. De inzenders van het voorstel, een team medewerkers uit de vestiging RAAP West-Nederland, ontvingen op 15 september uit handen van Erik Jungerius, voorzitter van het stichtingsbestuur, een bedrag van 45.000 euro om het project te realiseren.  

Het winnende project draait om het zoeken naar een manier om drones op zinvolle wijze in te zetten in het reguliere archeologisch onderzoek. Drones worden - ondanks diverse beperkingen - meer en meer gebruikt voor archeologische doeleinden. Denk aan spectaculaire opgravingsfoto’s of time-lapse filmpjes voor publieksdoeleinden. Andere toepassingen zijn karteringen in moeilijk toegankelijke gebieden, documentatie op vlakopgravingen en diverse geofysische karteringen. Met name in de buitenlandse archeologie zijn dergelijke methodische ontwikkelingen al in gang gezet. De onderzoekers willen testen waar drones bij onderzoek in Nederland en België ingezet kunnen worden en dit operationeel krijgen. Zij richten zich daarbij vooral op het (verder) testen van drones bij het maken van vlaktekeningen, bij geofysisch onderzoek zoals infrarood, grondradar en magnetometeronderzoek, en op spoorherkenning bij karteringen in moeilijk toegankelijk gebied. Komend jaar wordt het project uitgevoerd.

Mijlpaal 150

De economische crisis had een fikse terugloop van bouwprojecten tot gevolg, waarvan alle archeologische bedrijven in ons land last hadden. Inmiddels trekt de bouw weer aan en nemen de archeologische opdrachten toe.
RAAP is zelfs zo gegroeid dat er nu meer mensen dan ooit tevoren in dienst zijn: 150 medewerkers.
Daarmee blijft RAAP het grootste onderzoeks- en adviesbureau voor archeologie en cultuurhistorie in de Lage Landen.

Crowdfunding voor onderzoek naar de schans van de Leidse hutspot 

In Leiden startte deze zomer op www.voorjebuurt.nl de crowdfunding-campagne ‘Waar vonden we de hutspot?’. De stichting Strandwal, een initiatief van de Leidse ondernemer Sjaak van de Geijn, wil daarmee geld bijeenbrengen voor een archeologisch onderzoek naar de Leidse Lammenschans. Tijdens het Leids ontzet op 3 oktober 1574, toen de Watergeuzen de Spaanse belegeraars versloegen, is bij deze schans de beroemde ketel met hutspot gevonden. Vreemd genoeg is er nooit serieus onderzoek gedaan naar deze tot de verbeelding sprekende plek. Waar de Lammenschans precies lag, is niet bekend, en het onderzoek kan daar verandering in brengen. Bij het ter perse gaan van dit magazine was nog niet duidelijk of het benodigde bedrag gehaald is.

Detectorzoekers en archeologen hebben
meer gemeen dan ze denken

Stagiair Emil Hogenbirk, student van hogeschool Saxion, verdiepte zich in opdracht van RAAP in de wereld van detectoronderzoekers en archeologen. Hij keek naar oplossingen om de relatie tussen deze groepen te verbeteren en doet daarvan verslag in het rapport ‘Metaaldetectie op WOII-terreinen’. Het rapport is te downloaden via de website van RAAP.

COLOFON

RAAP Magazine 2017-2, november 2017 Een uitgave van RAAP: onderzoeks- en adviesbureau voor archeologie, cultuurhistorie en erfgoedzorg.

Aan dit nummer werkten mee: Auke Bult, Janneke Hielkema, Harm Homan, Danny Keijers, Aryan Klein, Jaap Kool, Helle Molthof, Twan van Rooij, Jan Roymans, Martin Schabbink, Ivar Schute, Tim Senden, Riekele Stobbe, Marten Verbruggen, Karin Wink en Gerben Zielman. Fotografie en cartografie: RAAP (tenzij anders vermeld).
Vormgeving: Olav Odé.
Redactie: Caroline Hom 

MAGAZINE PER POST

Aanmelden of afmelden voor RAAP-magazine, of liever een digitaal abonnement of pdf ontvangen? Stuur een e-mail naar receptie@raap.nl receptie@raap.nl 


ADRESGEGEVENS REGIO'S

RAAP Regio Noord-Nederland (Fr, Gr, Dr)
De Kiel 11, 9206 BG Drachten
 T 0512-589140 | E raapnnl@raap.nl

RAAP Regio Oost-Nederland (Gld, Ov)
Pollaan 48 E-F, 7202 BX Zutphen
T 0575-567876 | E raaponl@raap.nl

RAAP Regio Zuid-Nederland (Li, N-Br)
De Savornin Lohmanstraat 11, 6004 AM Weert
T 0495-513555 | E raapznl@raap.nl

RAAP Regio West-Nederland (N-Hl, Z-Hl, Zld, Fl, Ut)
Le Pooleweg 5, 2314 XT Leiden
T 071-5768118 | E raapwnl@raap.nl




HOOFDKANTOOR NL en BE

RAAP Hoofdkantoor
Leeuwenveldseweg 5b, 1382 LV Weesp
T 0294-491500 | E raap@raap.nl

RAAP België
Steenweg Deinze 72, 9810 Nazareth, België
T (+32) 0498 441 699 | E raap@raap.be

WWW.RAAP.NL
+
WWW.RAAP.BE