Het Romeinse Rijk
weerspiegeld in één kuil
Samenwerking tussen specialisten in de archeologie was altijd al belangrijk maar wordt steeds meer onderkend. Mede door de snelle ontwikkeling van natuurwetenschappelijke technieken is het essentieel om onderzoeksresultaten goed op elkaar af te stemmen. Door kennis te bundelen, krijg je een vollediger beeld van het verleden. Dat klinkt als iets voor grootschalig onderzoek: verschillende disciplines die samen een landschap, een grote vindplaats of zelfs een hele periode bestuderen. Maar samenwerking kan ook op kleine schaal verrassend waardevol zijn, zelfs bij één enkel bodemspoor. Dat illustreert het onderzoek naar een kuil uit het Romeinse heiligdom van Herwen-Hemeling in Zevenaar, onlangs opgegraven door RAAP. Materiaalspecialisten van RAAP werken hierbij multidisciplinair samen met andere partijen. Verschillende facetten van deze kuil, genummerd S838, zijn onderzocht door vijf van de ruim 30 specialisten, die de opgraving voor de provincie Gelderland uitwerken.
Kuil S838 bevatte drie rookschaaltjes die bij religieuze rituelen zijn gebruikt. Zulke rookschaaltjes komen vaak tevoorschijn op vindplaatsen waar rituele handelingen plaatsvonden, zoals in tempels en graven, en soms in huiselijke sfeer. Door er geurende oliën in te verbranden, steeg een sterke geur omhoog naar de goden. Een van de rookschaaltjes uit Herwen-Hemeling was gemaakt van witbakkende klei. Van de andere twee, beide van roodbakkende klei, wees het aardewerkonderzoek uit dat ze resten van een witte deklaag bevatten. Dat verraadt dat de makers graag wilden dat ze er wit uitzagen. Roetsporen op de schaaltjes tonen aan dat ze ook daadwerkelijk gebruikt zijn.
Tussen de rookschaaltjes lagen brokken verkoold organisch materiaal. Het macrobotanisch onderzoek daarnaar – de studie van met het blote oog zichtbare plantenresten – leverde opmerkelijke resultaten over voedseloffers op. Minstens drie niet-inheemse plantensoorten bleken in het ritueel te zijn gebruikt. Het meest exotisch zijn resten van dadels (Phoenix dactylifera), die van oorsprong voorkomen in Mesopotamië en Noord-Afrika. Vermoedelijk zijn de dadels van ver ingevoerd als gedroogd fruit. Daarnaast zijn resten van vijg (Ficus carica) aangetroffen. Hoewel vijgen onder gunstige omstandigheden lokaal konden groeien, is het aannemelijk dat ze als gedroogde vijgen zijn ingevoerd. Bijvoorbeeld uit Zuid-Gallië, waar vijgen al sinds de ijzertijd werden gekweekt. Zowel dadels als vijgen waren geliefde lekkernijen in de Romeinse tijd. Hun aanwezigheid suggereert dat de offeraars een symbolische maaltijd aan de goden opdroegen. De kuil bevatte daarnaast ook tientallen schalen van pijnboomzaden van dennenappels van de parasolden (Pinus pinea), een typische soort voor het Middellandse Zeegebied.
De eetbare pijnboompitten zitten in een harde schaal. Eerder onderzoek toonde aan dat pijnboomzaden zowel als voedseloffer, als in de vorm van hele dennenappels symbolisch zijn geofferd. De intacte schalen en fragmenten van dennenappelschubben in kuil S838 wijzen op dat laatste: vermoedelijk is een hele dennenappel in het vuur gelegd. Dat bevestigde de SEM-analyse, een rasterelektronenmicroscoop (scanning elektron microscope, SEM) die de celstructuur in detail zichtbaar maakt.
Dat dennenappels over lange afstanden werden vervoerd, weten we uit archeologische vondsten elders. Bijvoorbeeld uit een scheepswrak voor de kust van de Provence waarin tientallen gesloten dennenappels zijn aangetroffen, en vondsten bij Romeinse tempels in Engeland. Als je zo’n vrucht in het vuur legt, opent hij zich door de hitte en vallen de zaden naar buiten – een krachtig visueel en symbolisch moment waarin vernietiging en vruchtbaarheid samenkomen.
Het voorkomen van dennenappels kan ook te maken hebben met geur. De vrucht van de parasolden is namelijk rijk aan hars met aromatische eigenschappen. Bij verbranding verspreidt de hars met aromatische eigenschappen. Bij verbranding verspreidt de hars een aangename, wierookachtige geur. De bestudering van houtskool – het anthracologisch onderzoek – leverde in dit verband interessante inzichten op. Tussen de plantenresten bleek wat houtskool van den te zitten. Niet van de zuidelijke parasolden, maar van de in Nederland inheemse grove den (Pinus sylvestris) of een verwante soort. Omdat er in het Rivierengebied destijds waarschijnlijk geen dennen groeiden, zou ook dit hout van enige afstand naar Herwen-Hemeling zijn vervoerd. Het hout van de grove den bevat eveneens veel hars en als je dit hout gecontroleerd verbrandt, kun je een specifieke geur of rookeffect bereiken. De vondst van een klontje klei met een hars- of teerlaag wijst mogelijk ook op het gebruik van wierookachtige mengsels.
Pijnboomzaden, vijg en dadel komen vaker voor bij Romeinse rituele vindplaatsen. Dadels komen in Noord-Europa zelden in profane context voor, en zullen vooral voor religieuze doelen zijn ingevoerd. In Nederland is een duidelijke parallel bekend. Bij de Fortunatempel aan het Nijmegen-Maasplein zijn eveneens pijnboomzaad, vijg en dadel gevonden. Deze combinaties kennen we van elders in Europa, bij tempels gewijd aan goden als Isis, Mithras, Fortuna en Hercules. De overeenkomst tussen Herwen-Hemeling, Nijmegen-Maasplein en andere vindplaatsen in het Romeinse rijk suggereert dat we te maken hebben met een wijdverspreide, religieuze praktijk. Zulke offers weerspiegelden naast een gedeelde symboliek, ook de handelsnetwerken die deze exotische producten naar de noordelijke grensgebieden brachten.