Gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaarten:
op naar een nieuwe generatie
In 1991 had de gemeente Ede de primeur met een ‘potentiekaart’, gemaakt door RAAP, die liet zien waar archeologische resten te verwachten waren. De naam potentiekaart werd al snel vervangen door archeologische verwachtingskaart of (completer) waarden- en verwachtingenkaart. Wat is er in de afgelopen jaren aan dit soort kaarten veranderd en hoe ziet de nieuwe generatie kaarten eruit?
De meeste Nederlandse gemeenten lieten tussen grofweg 2005 en 2015 een eigen archeologische kaart vervaardigen. Voor die tijd viel men veelal terug op de landelijke IKAW, een afkorting van Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden, gemaakt op schaal 1:50.000. De grote vlucht van gemeentelijke kaarten tussen 2005 en 2015 hield verband met de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in 2007. Deze wet legde de verantwoordelijkheid voor het archeologisch erfgoed vooral bij de gemeenten. Bestemmingsplannen waren hiervoor het juridische instrument. Gemeenten vertaalden hun archeologische waardenkaart naar een beleidskaart en voegden dubbelbestemmingen ‘waarde-archeologie’ aan de bestemmingsplannen toe met bijbehorende regels. Inmiddels zijn we zo’n 20 jaar verder en ging in 2024 de Omgevingswet in. Tot eind 2031 krijgen gemeenten de tijd om van de vaak vele bestemmingsplannen één gemeentelijk omgevingsplan te maken en hierin ook regels voor archeologie op te nemen.
Archeologische kaarten zijn nog steeds een bruikbaar instrument, maar aan de kaarten worden tegenwoordig wel meer eisen gesteld. Zo dient de archeologische verwachting ‘aantoonbaar’ te zijn. De gebruiker moet kunnen zien op basis van welke bronnen en gegevens de verwachting is gebaseerd. Bij het maken van dit type kaarten is het dan ook van groot belang om in de achterliggende ruimtelijke database (GIS) de relevante informatie te benoemen. Waar tien jaar geleden een papieren kaart het uitgangspunt was, inclusief een lijvig rapport met vindplaats- en vondstcatalogi als bijlage, zie je dan ook steeds meer complete GIS-systemen en bijbehorende viewers. Zo is alle achterliggende informatie digitaal met één druk op de knop in beeld te krijgen.
Inhoudelijk zijn de kaarten in de afgelopen jaren ook sterk verbeterd. Dit komt grotendeels door de beschikbaarheid van nieuwe bronnen. Een belangrijke bron is het hoogtemodel van het maaiveldreliëf: het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Met deze zeer gedetailleerde hoogtegegevens zijn in bossen bijvoorbeeld nog veel karrensporen zichtbaar die honderden jaren oud kunnen zijn. Ook akkercomplexen uit de ijzertijd en grafheuvels komen hiermee aan het licht, en een geoefend oog kan structuren uit de Tachtigjarige oorlog ontdekken, zoals schansen en redoutes.
Andere nuttige bronnen zijn luchtfoto’s. Op foto’s uit de droge zomers van 2018 en 2019 zijn door de droogte structuren als opgevulde greppels en grachten zichtbaar. Daarnaast zijn via topotijdreis.nl historische kaarten uit de vroege 20e eeuw beschikbaar. Verder worden tegenwoordig standaard de kadastrale minuutplannen van 1811-1832 gebruikt om historische beeklopen, boerenerven, dorpskernen en bijzondere gebouwen als (water)molens en kerken en kerkhoven nauwkeurig op de kaart te zetten. Dat er steeds meer open data beschikbaar komen, zoals de gegevens van vele duizenden boringen van Universiteit Utrecht, is eveneens een uitkomst. In combinatie met AHN-analyse zijn zo de oude rivierlopen in het rivierengebied nauwkeuriger in kaart te brengen.
Een andere ontwikkeling is de aandacht voor specifieke thema’s met conflictarcheologie als belangrijkste. Veelal gaat het hierbij om de Tweede Wereldoorlog, maar vaak ook in combinatie met de Koude Oorlog en conflicten uit de 19e eeuw en ouder, zoals de Tachtigjarige Oorlog. In Zuid-Nederland speelt het thema beekdalarcheologie een belangrijke rol, en voor heel Nederland is er steeds meer aandacht voor waterbodemarcheologie. Ook kasteel- en stadsgrachten zijn onder dit thema te scharen.
Naast de nieuwe bronnen en thema’s zijn de onderzoeksresultaten van de honderden archeologische (voor)onderzoeken van de afgelopen jaren te gebruiken om de gemeentelijke waardenkaarten te actualiseren. Dit leidt tot een beter en nauwkeuriger beeld waar archeologische resten aanwezig of te verwachten zijn. Het zorgt ook voor beter onderbouwde verwachtingsmodellen, die bovendien steeds vaker een verwachting per archeologische periode weergeven. Bijvoorbeeld voor jager-verzamelaars, landbouwers, en de staatse periode.
Actualisering
RAAP actualiseert veel gemeentelijke kaarten, ook op regionaal niveau. Het voordeel daarvan is dat voor een groot gebied dezelfde type kaarten ontstaan, zonder verschillen op de grens tussen de gemeenten. Bovendien is met het grotere aantal vindplaatsen statistisch beter te onderbouwen of aan een bepaalde landschappelijke eenheid een lage of juist hoge verwachting kan worden toegekend. Een recent voorbeeld is de regionale kaart voor zes gemeenten die op de overgang van de Veluwe naar het voormalige Zuiderzeegebied liggen. Hierop is duidelijk het verschil te zien tussen de dichtheid aan vindplaatsen in het zuidelijke deel, waar nutriëntrijke stuwwalbodems aanwezig zijn, en een lagere dichtheid aan vindplaatsen in de armere stuwwallen in het noordelijke deel van het gebied.