De opgraving Medel-De Roeskamp:
een game changer voor de Nederlandse prehistorie
De opgraving Medel-De Roeskamp:
een game changer voor de Nederlandse prehistorie
De uitwerking van dit complexe en omvangrijke onderzoek was een uitdaging. Eind 2023 was de gedegen monografie gereed. Hoewel over alle archeologische perioden waarvan resten gevonden zijn, bijzondere verhalen te vertellen zijn, zoomen we hier in op het oudst bekende prehistorische gehucht met ‘echte’ boeren uit het Rivierengebied. Het heeft ons beeld van het vroege neolithicum – de periode waarin graanverbouw en veehouderij onderdeel werden van het bestaan – radicaal veranderd.
Tussen 4300 en 4050 voor Chr. lag in Medel op een oeverwal aan een verpieterende zijtak van de Rijn, een ruim 1,5 hectare grote nederzetting van de zogenoemde Swifterbant-cultuur (4900-3900 voor Chr.). Deze cultuur bestond uit afstammelingen van jager-vissers-verzamelaars die al duizenden jaren in onze streken leefden. De nederzetting van Medel is uitzonderlijk vanwege de enorme omvang: groter dan alle gepubliceerde, eerder opgegraven Swifterbant-vindplaatsen tezamen. Nog belangrijker is, dat het in Medel om een permanente nederzetting gaat. Circa 250 jaar achtereen woonden hier mensen, telkens in vier of vijf gelijktijdige huizen. In totaal zijn plattegronden van zo’n 40 huizen herkend.

De Swifterbant-varkens waren opvallend groot. Ze werden gekruist met wilde zwijnen: het waren hybriden.
Ruim 80% van de gevonden zoogdierresten is afkomstig van vee. Opvallend is het forse aandeel van varkens, die gezien hun grootte van tijd tot tijd gekruist werden met wilde zwijnen: het zijn hybriden. Duizenden graan- en kafresten van vier graansoorten, maalstenen, sikkelmesjes en aanwijzingen voor brood en graanpap onderstrepen dat de Swifterbant-bewoners van Medel in de eerste plaats boeren waren. Jacht speelde in Medel geen grote rol, visvangst wel. Verder verzamelde men onder meer hazelnoten en wilde appeltjes.
Medel-De Roeskamp zet het bestaande beeld van het vroege neolithicum volledig op z’n kop. Tot nu toe waren alleen bij Schokland een paar ‘echte’ huizen, aanwijzingen voor een permanente nederzetting, bekend. Maar of die in de Swifterbant-periode thuishoren, of toch iets jonger zijn, kon niet bewezen worden. Volgens de heersende gedachte zouden de Swifterbant-mensen in de eerste plaats jagers-visser-verzamelaars geweest zijn, die er een beetje ‘bijboerden’ en in hutten in seizoenskampen leefden. De overgang naar een boerenbestaan (‘neolithisatie’) zou een heel geleidelijk proces geweest zijn, dat zo’n 1500 jaar in beslag nam. Eerst werden aardewerk en natuurstenen (import)bijlen geïntroduceerd. Enkele eeuwen daarna volgden vee (schaap/geit, later rund, nog later varken) en weer later pas graan. Van ‘echte boeren’ die op een vaste plek leefden in permanente nederzettingen zou niet eerder sprake zijn dan rond 3700 voor Chr. Dit beeld is nu achterhaald.
In Medel wijzen vooral het aardewerk en de huistypen op nauwe relaties met de gelijktijdige Bischheim-cultuur. Dat waren de nazaten van de eerste boeren in West-Europa: mensen van de bandkeramische cultuur die zich rond 5400 voor Chr. op de lössgronden vestigden. Oorspronkelijk kwam die cultuur uit de Balkan. De Bischheim-cultuur is onder andere uit de omgeving van Aken bekend. Daar zijn behalve bijna identieke huizen en aardewerkvormen als in Medel, ook dezelfde vier graansoorten en hetzelfde oogst- en graanverwerkingsgereedschap aangetroffen. Het ziet er nu naar uit dat de neolithisatie binnen de Swifterbant-cultuur plaatsvond na een periode van circa 500 jaar waarin men wel over aardewerk en bijlen beschikte, maar niet over vee en graan.
Rond 4400 voor Chr. of iets eerder vond, onder invloed van de Bischheim-cultuur, vrij abrupt de overgang plaats naar een ‘volledig’ boerenbestaan in permanent bewoonde dorpjes met vee en graanakkers, zoals in Medel. Mogelijk speelden Bischheim-kolonisten hierbij een beslissende rol. De overgang naar een boerenbestaan in de rest van Europa begon immers ook telkens met een toestroom van boeren-kolonisten, gevolgd door vermenging met wat resteerde van de autochtone bevolking.
Het bijzondere is dat in de Swifterbant-cultuur na 4400 voor Chr. de oude bestaanstradities niet over boord gezet werden. Men bleef van meerdere walletjes eten. Tijdelijke jacht- en viskampementen bleven bestaan. Het hoofdaccent kon de ene keer liggen op visserij en jacht, de andere keer op bijvoorbeeld varkens- of runderhouderij, of op het verbouwen van graan. Dit was deels afhankelijk van lokale omstandigheden, maar dit flexibele, dynamische en robuuste systeem was vooral een culturele keuze.